VB 25103 - Wijziging huwelijksovereenkomst stelsel scheiding van goederen - toevoeging optioneel verblijvings- en toekenningsbeding
- Nummer
25103
- Datum beslissing
24 oktober 2025
- Publicatiedatum
15 januari 2026
Heffing
- Erfbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.1.0.2. VCF
- art. 2.7.1.0.3. VCF
- art. 2.7.1.0.4. VCF
- art. 2.7.1.0.5. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te krijgen dat, gelet op de argumentatie en motivering zoals hierna uiteengezet, de voorgenomen wijziging van hun huwelijksvermogensstelsel, niet onder de toepassing valt van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, en dat ze ook geen van deze bepalingen frustreert, zodat ook de algemene misbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet van toepassing is.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
2. De aanvraag wordt ingediend door […], namens:
De heer X, geboren te […] op xx.xx.1968, rijksregisternummer […], en zijn echtgenote, mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1970, rijksregisternummer […], wonende te […].[1]
De Aanvragers zijn gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen, blijkens huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] op xx.xx.1999, sedertdien ongewijzigd.[2]
Hierna samen genoemd de ‘Aanvrager’, de ‘Aanvragers’, alsook ‘X respectievelijk ‘Y.
3. De Aanvragers hebben geen kinderen.
De Aanvragers hebben hun fiscale woonplaats de voorbije 5 jaar steeds gehad in het Vlaamse Gewest, met name te […].
II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting
Situatieschets / wensen van de Aanvragers
4. Zoals toegelicht, zijn de Aanvragers gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen.
De Aanvragers opteerden destijds voor het stelsel van zuivere scheiding van goederen teneinde elkaars vermogen zoveel als mogelijk te vrijwaren voor schuldeisers en het ondernemersrisico dat gepaard gaat met de professionele activiteiten. Daarnaast wensten zij de controle over hun eigen vermogens te behouden en bijgevolg eenieders vermogen te beschermen in geval van echtscheiding.
5. De samenstelling van het vermogen van de Aanvragers kan als volgt worden samengevat:
1. Onverdeeld vermogen
De echtgenoten bezitten op vandaag een aantal roerende en onroerende goederen in onverdeeldheid. Deze goederen behoren de echtgenoten toe in gelijke delen.
Het betreft in hoofdzaak volgende goederen:
- Aandelen BV […] (ondernemingsnummer […]);
- Vordering op rekening courant t.a.v. BV […];
- […] (blote eigendom);
- Woning te […] (Italië);
- Woning in aanbouw te […] (Spanje).
2. Eigen vermogen
De goederen die integraal tot het eigen vermogen van X behoren zijn de volgende:
- Spaartegoeden bij […];
- Pensioenkapitalen;
- Woning te […];
- Woning te […] (1/3 blote eigendom)
De goederen die integraal tot het eigen vermogen van Y behoren zijn de volgende:
- Spaartegoeden bij […];
- 6 appartementen te […], waaronder de privéwoning van de Aanvragers;
6. Op grond van het wettelijk erfrecht zou bij het overlijden van één van de Aanvragers, de goederen die zij in exclusieve onverdeeldheid aanhouden, integraal toekomen aan de langstlevende onder hen. De overige goederen die deel uitmaken van de nalatenschap van de overledene zouden slechts voor het vruchtgebruik aan de langstlevende toekomen. De blote eigendom zou daarentegen geërfd worden door de naaste familie (broers, zussen, ouders) van de overledene. Deze verdeling is echter niet wenselijk, te meer daar de familiale verstandhouding langs beide familiezijden verstoord is.
De echtgenoten wensen daarentegen dat bij het overlijden van één van hen, de volledige nalatenschap toekomt aan de langstlevende onder hen. Daarom hebben zij op xx.xx.2018 ieder een notarieel testament opgesteld, waarbij zij elkaar aanstellen als algemeen legataris. Is de partner reeds vooroverleden, dan wordt de VZW Kinderkankerfonds aangesteld als algemeen legataris.
Op basis van dit testament zou het vermogen van de eerst overleden Aanvrager integraal toekomen aan de langstlevende onder hen, doch dit biedt de Aanvragers weinig zekerheid. Een testament is immers steeds eenzijdig herroepbaar en beide Aanvragers vrezen de situatie dat de andere Aanvrager op een gegeven moment zijn/haar testament wijzigt een derde partij als (mede-) legataris aanduidt.
De Aanvragers willen elkaar dan ook maximaal én niet-eenzijdig herroepbaar bevoordelen bij overlijden, zodat de langstlevende steeds in de huidige levensstandaard kan blijven voorzien. Bovendien willen zij vermijden dat de langstlevende, gelet op de afwezigheid van afstammelingen, in onverdeeldheid zou komen met de andere (wettelijke) erfgenamen van de eerststervende. De Aanvragers willen hiertoe een regeling voorzien inzake de roerende en onroerende goederen die zij in onverdeeldheid aanhouden ook met betrekking tot deze die tot hun eigen vermogen behoren.
Voorgenomen verrichtingen
7. De Aanvragers wensen vooreerst hun stelsel van zuivere scheiding van goederen te behouden, gelet op de voordelen die dat stelsel hen sedert het begin van hun huwelijk biedt, met name:
- De bescherming van het vermogen ten aanzien van schuldeisers van de andere echtgeno(o)t(e);
- Het behoud van de financiële autonomie over de eigen vermogens en bijgevolg de bescherming van eenieders vermogen in geval van echtscheiding.
Als gevolg van de hervorming van het huwelijksvermogensrecht door de wet van 22 juli 2018, is het in een stelsel van scheiding van goederen mogelijk om huwelijksvoordelen aan mekaar toe te kennen, in het bijzonder voor het geval van overlijden, zoals een verblijvingsbeding met betrekking tot onverdeeldheden of een toekenningsbeding met betrekking tot de eigen goederen.
Zoals reeds vermeld, wensen de Aanvragers elkaar maximaal te bevoordelen bij een ontbinding van het huwelijk door overlijden zodat de langstlevende minstens in hun huidige levensstandaard kan blijven voorzien. Daarenboven willen de Aanvragers een sluitende, wederkerige, niet eenzijdig herroepbare, optionele, volledig rechtszekere regeling voor al hun roerend én onroerend onverdeeld en eigen vermogen treffen in hun huwelijksovereenkomst.
Bovendien willen de Aanvragers vermijden dat de langstlevende, gelet op de afwezigheid van afstammelingen, op enige manier in onverdeeldheid zou komen met de andere (wettelijke) erfgenamen van de eerststervende.
8. Om tegemoet te komen aan hun bezorgdheden en om hun wensen te realiseren, willen de Aanvragers dan ook volgende bepalingen toevoegen aan hun huwelijksvoorwaarden:
- Een optioneel verblijvingsbeding [3] met betrekking tot de goederen die tussen hen in onverdeeldheid zijn, zodat de onverdeelde goederen bij een overlijden van één van hen onmiddellijk in volle eigendom, en in natura, exclusief aan de langstlevende toebedeeld worden;
- Een optioneel toekenningsbeding [4] met betrekking tot hun eigen goederen (die niet tussen hen in onverdeeldheid zijn), zodat de ook eigen goederen van de overleden echtgenoot onmiddellijk in volle eigendom, en in natura, exclusief aan de langstlevende toegekend worden.
Ingevolge voormelde wijzigingen zullen alle onverdeelde goederen alsook alle andere eigen goederen van de overleden echtgenoot bij diens overlijden van rechtswege, onmiddellijk, in volle en exclusieve eigendom aan de langstlevende toebehoren, tenzij de langstlevende echtgeno(o)t(e) zou kiezen, overeenkomstig de nader in de nieuwe huwelijksovereenkomst te specifiëren modaliteiten, om zich niet op dit verblijvingsbeding en/of toekenningsbeding te beroepen.
III. Motivering van de aanvraag
9. De Aanvragers verzoeken met betrekking tot de voorgenomen verrichting bevestiging te krijgen dat de toepassing van het optioneel verblijvingsbeding en toekenningsbeding, zoals vermeld in de huwelijksovereenkomst, niet zal onderworpen worden aan de hierna vermelde wetsartikelen:
a) Artikel 2.7.1.0.2 VCF
10. Artikel 2.7.1.0.2 VCF bepaalt:
“De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.1 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform het derde lid van het voormelde artikel.”
11. Artikel 2.7.1.0.2 VCF viseert de overgang van goederen die worden verkregen uit de nalatenschap ingevolge de wettelijke devolutie, een uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling en belast deze met erfbelasting.
In casu zal de toebedeling van de onverdeelde en andere eigen goederen aan de langstlevende echtgeno(o)t(e) plaatsvinden op grond van een verblijvingsbeding en toekenningsbeding, opgenomen in een huwelijksovereenkomst.
Het voordeel dat de langstlevende ingevolge het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding zal verkrijgen, wordt bijgevolg niet verkregen uit de nalatenschap (dus niet via wettelijke devolutie, noch door uiterste wilsbeschikking, noch door een contractuele erfstelling). Het voordeel wordt louter huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, als een huwelijksvoordeel.
12. Een huwelijksvoordeel wordt civielrechtelijk omschreven als “een voordeel dat voor één van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel”.[5] Dergelijk voordeel wordt erkend in het Belgisch huwelijksvermogensrecht.[6] Door deze wettelijke verankering van de theorie van de huwelijksvoordelen bevestigt de wetgever onder meer de beschikkingsbevoegdheid van de echtgenoten om hun huwelijksvermogensstelsel te regelen.[7] Hieruit volgt dat echtgenoten hun stelsel bijvoorbeeld ook mogen aanpassen door de toevoeging van solidaire clausules in het voordeel van de andere echtgeno(o)t(e).
Een huwelijksvoordeel wordt dus huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, uit hoofde van het huwelijksstelsel. De vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel gaat voor op de vaststelling van de omvang van de nalatenschap.[8] De langstlevende verkrijgt dit voordeel dus niet uit de nalatenschap (noch via wettelijke devolutie, noch door uiterste wilsbeschikking, noch door contractuele erfstelling). Het kan om die reden dus nooit een erfrechtelijke verkrijging zijn.
Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is. Een huwelijksvoordeel is civielrechtelijk dus nooit een schenking en bij uitbreiding geen contractuele erfstelling. Het wordt gekwalificeerd als een niet-schenking.[9] Deze kwalificatie is objectief, d.w.z. dat ze bestaat ongeacht de intentie van partijen. Een intentie om te begiftigen (animus donandi) kan die kwalificatie niet wijzigen, sterker nog, het bewijs dat er sprake zou zijn van een intentie om te begiftigen mag zelfs niet geleverd worden.[10]
De kwalificatie van een huwelijksvoordeel geldt ook in een stelsel van scheiding van goederen, zoals dit voor de Aanvragers het geval is. Echtgenoten die gehuwd zijn onder dit stelsel mogen elkaar via huwelijksovereenkomst huwelijksvoordelen toekennen. Zij kunnen aan dit stelsel clausules toevoegen ter nadere regeling van hun onverdeelde of eigen goederen bij het overlijden van de eerststervende echtgeno(o)t(e). De artikelen 2.3.57 tot 2.3.60 BW zijn in een stelsel van scheiding van goederen van overeenkomstige toepassing.[11]
Dit betekent dat indien uit de samenstelling, werking, vereffening, verdeling (of verrekening) van het stelsel van scheiding van goederen zoals in de huwelijksovereenkomst uitgewerkt, voor één van de echtgenoten een voordeel kan ontstaan, dit voordeel een huwelijksvoordeel zal zijn.
Deze civielrechtelijke kwalificatie werkt ook in het fiscaal recht door. Dat bevestigde het Hof van Cassatie reeds bij arrest van 9 juli 1931. Het fiscaal recht moet de kwalificatie als huwelijksvoordeel (en dus niet-schenking) aanvaarden, tenzij een specifieke en expliciete fiscale bepaling daarvan zou afwijken.
13. Aldus dient geconcludeerd te worden dat de overgang/toebedeling/toekenning van de goederen op grond van het overwogen verblijvingsbeding of toekenningsbeding niet kan worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF.[12]
b) Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF
14. Artikel 2.7.1.0.3,3° VCF bepaalt:
“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° …
2° …
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.”
15. Dit artikel belast met erfbelasting alle schenkingen van roerende goederen die de erflater zou hebben gedaan onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
Hoewel het beding pas uitwerking zou hebben bij het overlijden van de eerststervende echtgeno(o)t(e) is er hier geen sprake van een schenking. Zoals eerder reeds uiteengezet, kwalificeert een verblijvingsbeding of toekenningsbeding namelijk als huwelijksvoordeel en niet als schenking.[13]
16. Het voordeel dat de langstlevende zou verkrijgen – ingevolge overgang/toebedeling/toekenning op grond van het voorgenomen verblijvingsbeding respectievelijk toekenningsbeding - kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.[14]
c) Artikel 2.7.1.0.4 VCF
17. Artikel 2.7.1.0.4 VCF bepaalt:
“De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.”
18. Artikel 2.7.1.0.4 VCF belast ieder huwelijksvoordeel waarbij de langstlevende echtgenoot – krachtens een beding van de huwelijksovereenkomst - meer dan de helft van de gemeenschap verkrijgt.
De toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF is dus beperkt tot situaties waarin er sprake is van een stelsel met een gemeenschap. Tussen de Aanvragers bestaat er echter geen gemeenschap. In casu zijn de Aanvragers namelijk steeds gehuwd geweest onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen. Zij wensen ook uitdrukkelijk dit stelsel te behouden. Er werd of wordt evenmin een intern gemeenschappelijk vermogen gecreëerd of toegevoegd aan hun basisstelsel van scheiding van goederen.
De Aanvragers wensen evenwel aan dit stelsel van scheiding van goederen zowel een verblijvingsbeding (voor onverdeelde goederen) als een toekenningsbeding (voor goederen die exclusief aan één echtgenoot toebehoren) toe te voegen. Deze bedingen zullen louter betrekking hebben op onverdeelde en eigen goederen, niet op gemeenschapsgoederen. Dit zorgt ervoor dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.7.1.0.4 VCF niet vervuld zijn.
19. Artikel 2.7.1.0.4 VCF kan dan ook niet worden toegepast op de overgang/toebedeling/toekenning op grond van het overwogen verblijvingsbeding respectievelijk toekenningsbeding.
d) Artikel 2.7.1.0.5 VCF
20. Artikel 2.7.1.0.5 VCF bepaalt:
“§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd. (…)”
21. Zoals hiervoor uiteengezet, betreft het verblijvingsbeding en toekenningsbeding geen schenking maar een huwelijksvoordeel. Een huwelijksvoordeel kan bijgevolg niet gelijkgesteld worden met een kosteloze beschikking.
Bovendien heeft het verblijvingsbeding en toekenningsbeding pas uitwerking bij het overlijden van de eerststervende echtgeno(o)t(e), en niet in enige periode voorafgaand aan het overlijden. Er kan bijgevolg geen sprake zijn van een schenking in een periode van vijf jaar die het overlijden voorafgaat.
22. Aangezien er aldus geen sprake kan zijn van een kosteloze beschikking die tot stand komt in enige periode vóór het overlijden, kan artikel 2.7.1.0.5 VCF niet toegepast worden op de overgang/toebedeling/toekenning op grond van het overwogen verblijvingsbeding en toekenningsbeding. Hierdoor is er ook geen aanleiding tot de heffing van schenkbelasting noch enig registratierecht.[15]
e) Artikel 3.17.0.0.2 VCF
1) Geen toepassing van de algemene antimisbruikbepaling
23. Er is sprake van fiscaal misbruik in de zin van de algemene antimisbruikbepaling (thans vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF) indien de belastingplichtige een rechtshandeling stelt waarmee hij zich, in strijd met de doelstellingen van een fiscale bepaling in de wet, buiten het toepassingsgebied van die bepaling stelt terwijl er voor die keuze geen enkele andere verklaring bestaat dan het vermijden van de belasting.
De algemene antimisbruikbepaling kan slechts worden toegepast indien de gewone interpretatiemethode, de technische bepalingen van het wetboek, de simulatieleer en de specifieke fiscale misbruikbepalingen (zijnde de zogenaamde fictiebepalingen) geen toepassing vinden.[16] Ook het Grondwettelijk Hof stelt in die zin dat de algemene antimisbruikbepaling niet kan worden ingeroepen indien bepaalde verrichtingen al vallen onder een specifieke antimisbruikbepaling.[17] Enkel wanneer bepaalde verrichtingen de doelstellingen van een specifieke antimisbruikmaatregel frustreren, kan de algemene antimisbruikbepaling worden aangewend.[18]
24. Aanvragers verzoeken te bevestigen dat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF enkel kan worden ingeroepen indien de voorgenomen verrichtingen de doelstellingen van de specifieke antimisbruikbepaling (artikel 2.7.1.0.2 VCF, artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, artikel 2.7.1.0.4 VCF of artikel 2.7.1.0.5 VCF) frustreren.
Aanvragers menen dat geen van de overwogen verrichtingen echter enige toepasselijke specifieke antimisbruikbepaling frustreren. Evenmin kan daartegen de algemene antimisbruikbepaling worden aangewend. De Aanvragers verzoeken om dit in de beslissing te bevestigen, op grond van de hierna uiteengezette motieven.
2) Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.2 VCF
25. De voorgenomen verrichtingen frustreren artikel 2.7.1.0.2 VCF niet, vermits de Aanvragers enkel een huwelijksvermogensrechtelijke regeling beogen. De voorgenomen verrichtingen verlenen namelijk huwelijksvoordelen.
De Aanvragers willen in hun huwelijksovereenkomst een sluitende, wederkerige, niet eenzijdig herroepbare, optionele en volledig rechtszekere regeling treffen voor al hun roerend én onroerend vermogen, waarbij ze elkaar maximaal beschermen, onder de vorm van het vooropgestelde verblijvingsbeding en toekenningsbeding. Het is voor de Aanvragers van belang dat de regeling – die in de wijzigende huwelijksovereenkomst vervat zal worden – niet eenzijdig door één van hen kan worden gewijzigd of herroepen. De Aanvragers wensen dat de langstlevende, op de (eigen én onverdeelde) goederen die bij het overlijden van de eerst overledene in diens vermogen aanwezig zullen zijn, rechten toekennen die op dat ogenblik ontegensprekelijk kunnen worden uitgeoefend, louter krachtens die huwelijksovereenkomst.
26. Zij kunnen dezelfde doelstelling niet met dezelfde civiele gevolgen bereiken, noch door de wettelijke devolutie, noch door enige testamentaire beschikking, noch door een contractuele erfstelling. Dergelijke voordelen kunnen, indien testamentair of via contractuele erfstelling buiten huwelijksovereenkomst toegekend, immers eenzijdig herroepen kunnen worden, wat de echtgenoten niet wensen.
Zo kan elke Aanvragers op eender welk moment een nieuw testament opmaken en een belangrijk deel van het vermogen legateren aan andere familieleden of derden, en zo de erfaanspraken van de andere echtgenoot in belangrijke mate uithollen. Dit strookt niet met de huidige wensen van de Aanvragers, die elkaar op dit vlak zekerheid wensen te bieden.
Hoewel een contractuele erfstelling (schenking van toekomstige goederen) wel onherroepelijk kan worden bedongen, mits ze in de huwelijksovereenkomst wordt opgenomen, is dit evenmin een waardig alternatief voor de optionele bedingen die de echtgenoten wensen op te nemen. Een onherroepelijke contractuele erfstelling verhindert namelijk dat de schenker om niet beschikt over de in de schenking begrepen goederen, tenzij het gaat over geringe bedragen.[19] Een schenking van tegenwoordige goederen is eveneens onherroepelijk indien ze in de huwelijksovereenkomst werd opgenomen.[20] Zowel een schenking van toekomstige goederen als een schenking van tegenwoordige goederen is echter niet verenigbaar met de ruimte die de Aanvragers aan elkaar willen laten om tijdens het huwelijk verder autonome beschikkingsbevoegdheden op het eigen vermogen uit te oefenen.[21] De Aanvragers willen uiteraard wel het comfort van de langstlevende echtgeno(o)t(e) veiligstellen; maar zij wensen hiervoor enkel overlevingsrechten toe te kennen en geen actuele eigendomsrechten.
Bovendien is het niet mogelijk om een contractuele erfstelling als begiftigde slechts gedeeltelijk te aanvaarden. Bij de voorgenomen optionele bedingen is deze flexibiliteit wel gegarandeerd.[22]
27. Bovendien wensen de Aanvragers te vermijden dat dit (eigen) vermogen in de nalatenschap van de eerststervende echtgeno(o)t(e) terechtkomt. De Aanvragers hebben namelijk geen afstammelingen. Hierdoor verkrijgen de wettelijke erfgenamen (uit tweede of derde orde) in principe de blote eigendom op de nalatenschap. Indien er geen passende regeling wordt getroffen, kan de langstlevende echtgeno(o)t(e) dus gedwongen worden om het vermogen te delen met de schoonfamilie, wat tot conflicten kan leiden. Door de opname van een verblijvingsbeding en toekenningsbeding in hun huwelijksovereenkomst kunnen zij evenwel vermijden dat bepaalde goederen in onverdeeldheid terechtkomen en vervolgens moeten verdeeld worden met de andere erfgenamen (ouders, broers en zussen van de overledene). Dit voorkomt complexe vereffenings- en verdelingsprocedures, die vaak leiden tot ongerustheid en bijkomende kosten voor de langstlevende echtgeno(o)t(e). De onmiddellijke eigendomsoverdracht via het verblijvingsbeding en toekenningsbeding zorgt er ook voor dat de langstlevende niet hoeft te onderhandelen met de schoonfamilie. De opname van deze voorgenomen bedingen kan dus financiële en emotionele spanningen vermijden/minimaliseren.
De toevoeging van een verblijvingsbeding en toekenningsbeding aan dit stelsel biedt dus de nodige rechtszekerheid en gemoedsrust voor beide echtgenoten. Dit zorgt voor een rustgevend vooruitzicht, waarbij de langstlevende zonder belemmeringen kan beschikken over de toegekende goederen.
3) Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.3,3° VCF
28. De voorgenomen verrichtingen frustreren de doelstellingen van art. 2.7.1.0.3, 3° VCF niet, omdat de Aanvragers niet overgaan tot enige voorwaardelijke schenking waarvan de uitwerking artificieel tot aan het overlijden van de schenker wordt uitgesteld. Een verblijvingsbeding en toekenningsbeding kwalificeren namelijk als een huwelijksvoordeel.
De Aanvragers passen hun huwelijksovereenkomst aan om tot een regeling te komen bij overlijden, die tot een billijke regeling moet leiden voor goederen waarin ze beiden gerechtigd zijn (= voorgenomen verblijvingsbeding) dan wel elk afzonderlijk gerechtigd zijn (= voorgenomen toekenningsbeding).
4) Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.4 VCF
29. De voorgenomen verrichtingen frustreren evenmin artikel 2.7.1.0.4 VCF omdat er tussen hen geen gemeenschap heeft bestaan en ook niet zal bestaan. De toepassing van dit artikel is namelijk beperkt tot situaties waarin er sprake is van een stelsel met een gemeenschap.
De Aanvragers zijn echter steeds gehuwd geweest onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen, omwille van de voordelen die dit stelsel hen sedert het begin van hun huwelijk biedt, met name het behoud van hun vermogensrechtelijke autonomie en de bescherming tegen mekaars schuldeisers.
5) Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.5 VCF
30. De fictiebepaling van artikel 2.7.1.0.5 VCF viseert roerende schenkingen die niet verplicht registreerbaar zijn en die kort vóór het overlijden van de schenker hebben plaats gevonden.
De voorgenomen verrichtingen frustreren de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.5 VCF niet, omdat de Aanvragers niet overgaan tot enige schenking of kosteloze beschikking. De burgerrechtelijke kwalificatie van een verblijvings- en toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft immers tot gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.[23] Hierdoor kunnen deze bedingen niet gelijkgesteld worden met een kosteloze beschikking. Daarenboven kan een verblijvingsbeding noch toekenningsbeding geen uitwerking krijgen voorafgaand aan het overlijden.
Gelet op het voorgaande, frustreren de voorgenomen verrichtingen de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.5 VCF niet.
6) Niet-fiscale motieven zijn dominant
31. Deze voorafgaandelijke civielrechtelijke motieven zijn voor de Aanvragers doorslaggevend bij hun voornemen om in hun huwelijksovereenkomst te voorzien in een verblijvings- en toekenningsbeding. De voorgenomen verrichtingen zijn dus niet fiscaal geïnspireerd.
Zij wensen nog steeds hun stelsel van scheiding van goederen te behouden, omwille van de eerder vermelde voordelen die dit stelsel hen sedert het begin van hun huwelijk biedt.
Daarnaast wensen zij ook te voorzien in een goede beschermingsregeling ten aanzien van elkaar.
Nu het sedert 1 september 2018, als gevolg van de hervorming van het huwelijksvermogensrecht door de wet van 22 juli 2018, mogelijk is om binnen het stelsel van scheiding van goederen huwelijksvoordelen aan de langstlevende van hen toe te kennen, wensen de Aanvragers daar ook gebruik van te maken.
De gecombineerde werking van het verblijvingsbeding en van het toekenningsbeding creëren voor de langstlevende een zeer comfortabele positie. De langstlevende treedt immers vanaf de kennisgeving van zijn of haar keuze, maar met uitwerking vanaf het overlijden, in het bezit en in de gewenste eigendomsverhouding al naargelang zijn of haar keuze van de goederen waarvan de echtgenoten willen dat de langstlevende er ruim en vrij over kan beschikken.[24]
De door de Aanvragers beoogde doelstelling kunnen zij niet op een andere manier en met dezelfde civielrechtelijke gevolgen bereiken, noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, noch door een contractuele erfstelling en evenmin door een schenking. Ook niet met een gemeenschapsstelsel, omdat de filosofie en werking van een gemeenschapsstelsel niet aansluit bij de wensen en noden van de Aanvragers. Overigens om die reden zijn zij reeds sedert het begin gehuwd onder een stelsel van zuivere scheiding van goederen.
Het voorgenomen verblijvingsbeding en het toekenningsbeding, laat de Aanvragers toe om hun beider wensen voor het comfort van de langstlevende zeer ruim te bereiken, binnen de krijtlijnen die de civiele wet aangeeft.
In beide gevallen behoudt de langstlevende de optie om na het overlijden van de andere, genoegen te nemen met een kleiner voordeel.
Deze civielrechtelijke motieven zijn voor de Aanvragers doorslaggevend bij hun voornemen om de bedingen, die in deze aanvraag zijn vermeld, in hun huwelijksovereenkomst op te nemen.
Besluit
32. Uit wat voorafgaat blijkt afdoende dat de Aanvragers de voorgenomen verrichtingen overwegen omwille van niet-fiscale motieven.
Voor zover als nodig verwijzen de Aanvragers ook uitdrukkelijk naar de recente voorafgaande beslissing nr. 25026 dd. 22 april 2025, aangezien de onderliggende casus zeer sterke gelijkenissen met deze voorafgaande beslissing vertoont. Meer specifiek gaat het in beide casussen om de toevoeging van een verblijvingsbeding en toekenningsbeding aan het huwelijksstelsel van echtgenoten die sedert het begin gehuwd zijn onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen, zonder dat zij afstammelingen nalaten, met de wens om de langstlevende maximaal en onherroepelijk te bevoordelen.
33. Zij verzoeken dan ook te bevestigen dat:
- de artikelen 2.7.1.0.2, 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.4 en 2.7.1.0.5 VCF niet van toepassing zijn;
- er geen sprake kan zijn van enig fiscaal misbruik (in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF) aangezien er geen van de doelstellingen van voormelde bepalingen van de VCF gefrustreerd worden en doordat de voorgenomen verrichtingen louter zijn ingegeven door civielrechtelijke motieven.
34. Daarnaast wensen zij, in het licht van artikel 3.22.0.0.1, §4 VCF, voor deze aanvraag een verlengde duurtijd aan te vragen, meer bepaald tot aan het overlijden van één van hen. Voormeld artikel stelt namelijk dat een beslissing slechts wordt getroffen voor een termijn van maximaal vijf jaar, behoudens in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag dat rechtvaardigt. Aangezien het in casu gaat om een voorafgaande beslissing inzake erfbelasting, betreft dit volgens de Aanvragers een situatie waarin een langere duurtijd automatisch gerechtvaardigd is. De huidige aanvraag heeft immers betrekking op een optioneel verblijvingsbeding en een optioneel toekenningsbeding. Beide bedingen kunnen slechts uitwerking krijgen op het ogenblik dat het huwelijksstelsel van de Aanvragers door het overlijden van de eerststervende ophoudt te bestaan. Slechts op dat tijdstip zal de langstlevende echtgeno(o)t(e) – afhankelijk van zijn/haar gemaakte keuze – huwelijksvoordelen ontvangen.
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
35. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerrechtelijk vlak.
36. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.
De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.
37. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:
- Artikel 2.7.1.0.2 VCF dat luidt als volgt:
De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform het derde lid van het voormelde artikel.
- Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF dat luidt als volgt:
Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° …
2° …
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
- Artikel 2.7.1.0.4 VCF dat luidt als volgt:
De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.
- Artikel 2.7.1.0.5 VCF dat luidt als volgt:
§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.
- Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:
Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.
De te beoordelen verrichting
38. Volgende verrichting wordt voorgelegd, die verwezenlijkt wordt via een wijziging van de huwelijksovereenkomst:
De echtgenoten X-Y zijn gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen, blijkens huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] op xx.xx.1999, ongewijzigd tot op heden.
Zij wensen thans hun huwelijksovereenkomst aan te passen, met behoud van het stelsel van scheiding van goederen, door toevoeging van een optioneel verblijvingsbeding met betrekking tot de goederen die tussen hen in onverdeeldheid zijn en een optioneel toekenningsbeding met betrekking tot hun eigen goederen (die niet tussen hen in onverdeeldheid zijn). Ingevolge deze wijzigingen zullen de onverdeelde goederen alsook de andere eigen goederen van de overleden echtgenoot bij diens overlijden van rechtswege, onmiddellijk, in volle en exclusieve eigendom aan de langstlevende toebehoren, tenzij deze ervoor zou kiezen om zich niet op dit verblijvingsbeding en/of toekenningsbeding te beroepen.
De aanvragers bezitten diverse eigen, onverdeelde en niet-onverdeelde, roerende en onroerende goederen.
Beoordeling
1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF
39. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.
40. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.
Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van de in casu voorgenomen bedingen als geldige huwelijksvoordelen, die bovendien zakenrechtelijke werking zouden hebben.
In de mate bijgevolg dat het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeren als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.
Fiscaal betekent dit dat de verblijving en/of toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.
41. In de mate dat het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding in casu effectief geldige huwelijksvoordelen zijn, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.
1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF?
42. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.
43. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.
1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?
44. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.
45. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.
1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?
46. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
Volgens de gegevens in de aanvraag bestaat tussen de aanvragers geen gemeenschap. De optionele toebedeling van de onverdeelde goederen en de optionele toekenning van de eigen goederen hebben volgens de aanvrager geen betrekking op een wettelijke of conventionele gemeenschap.
47. Er zal voor deze bedingen geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?
48. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.
49. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)
a) Algemeen
50. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.
51. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt enkel en alleen vanwege fiscale motieven.
52. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke misbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.
Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp).
53. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in art. 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting), van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van art. 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.
b) In casu
54. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de aanvragers gehuwd zijn onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen, blijkens huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] op xx.xx.1999, ongewijzigd tot op heden.
De echtgenoten hebben geen kinderen.
Thans wensen de echtgenoten hun huwelijksovereenkomst aan te passen, met behoud van het stelsel van scheiding van goederen.
De echtgenoten wensen elkaar maximaal te bevoordelen bij een ontbinding van het huwelijk door overlijden. Daarvoor willen zij een sluitende, wederkerige, niet-eenzijdig herroepbare, optionele en volledig rechtszekere regeling voor al hun roerend én onroerend onverdeeld en eigen vermogen treffen in hun huwelijksovereenkomst.
Ook willen de echtgenoten vermijden dat de langstlevende van hen, gelet op de afwezigheid van afstammelingen, in onverdeeldheid zou komen met de andere (wettelijke) erfgenamen van de eerststervende.
Concreet wensen zij een optioneel verblijvingsbeding voor de goederen die tussen hen in onverdeeldheid zijn en een optioneel toekenningsbeding voor hun eigen niet-onverdeelde goederen, op te nemen.
55. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichting in casu geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
56. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.
Voetnoten
[1] Een kopie van de uitprint van de elektronische identiteitskaart van de aanvragers werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.
[2] Een kopie van de huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] op xx.xx.1999 werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.
[3] De ontwerpclausule van het optioneel verblijvingsbeding werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag en luidt als volgt:
“[…].”
[4] De ontwerpclausule van het optioneel toekenningsbeding werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag en luidt als volgt:
“[…]”
[5] H. CASMAN, Huwelijksvoordelen, Antwerpen, Kluwer, 1976.
[6] Artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW juncto artikel 2.3.64, §1, vierde lid BW.
[7] H. CASMAN en A.-L. VERBEKE, “Huwelijksvoordelen” in J. BAEL en R. BARBAIX (eds.), ‘Het familiale vermogensrecht na de codificatie. XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva 2022-2023’, Kluwer, 2023, 1, 22.
[8] Cass. 24 maart 2017.
[9] Cass. 10 december 2010.
[10] GwH 23 november 2005, nr. 170/2005; H. CASMAN en A.-L. VERBEKE, “Huwelijksvoordelen” in J. BAEL en R. BARBAIX (eds.), ‘Het familiale vermogensrecht na de codificatie. XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva 2022-2023’, Kluwer, 2023, 1, 10-11.
[11] Art. 2.3.64, § 1, vierde lid BW.
[12] Dit werd bevestigd in o.a. VB nrs. 25016 en 25021 (beiden dd. 31 maart 2025), 25026 en 25027 (beiden dd. 22 april 2025).
[13] Zoals bevestigd door het Hof van Cassatie: Cass. 10 december 2010 en Cass. 5 januari 2017
[14] Dit werd bevestigd in o.a. VB nrs. 25016 en 25021 (beiden dd. 31 maart 2025), 25026 en 25027 (beiden dd. 22 april 2025).
[15] Dit werd bevestigd in o.a. VB nrs. 25016 en 25021 (beiden dd. 31 maart 2025)
[16] Parl. St. Kamer 2011-2012, nr. 53-2081/001 (Memorie van Toelichting), 112-113.
[17] GwH 30 oktober 2013, nr. 141/2013, BS 2 januari 2014
[18] B. PEETERS, “De algemene fiscale antimisbruikbepalingen. Een commentaar in het licht van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof”, AFT 2014/5, 25-26; VB nr. 25015 (dd. 31 maart 2025).
[19] Art. 4.233, §2 en 4.240 BW.
[20] Art. 4.240 BW.
[21] Dit werd bevestigd in VB nr. 23094 (dd. 25 maart 2024).
[22] Dit werd bevestigd in VB nr. 23094 (dd. 25 maart 2024).
[23] Dit werd o.a. bevestigd in VB nrs. 23094 (dd. 25 maart 2024), 25016 (dd. 31 maart 2025) en 25026 (dd. 22 april 2025).
[24] H. CASMAN en A.L. VERBEKE, “De vierde piste. De huwelijksvoordelen met betrekking tot onverdeelde goederen in een scheiding van goederen: een nuttig alternatief voor het verblijvingsbeding in een gemeenschapsstelsel, voor het finaal verrekenbeding in een scheiding van goederen en voor het beding van aanwas tussen echtgenoten”, Nieuwsbrief Notariaat 2020, nr. 1, (1) 5 en H. CASMAN en A.L. VERBEKE, “Het toekenningsbeding bij scheiding van goederen”, TEP 2022, nr. 1, (3) 3-15.