Metadata: Arbeidsproductiviteit
Verantwoordelijke entiteit
VSA – Vlaamse Statistische Autoriteit
Metadatafiche laatste update
03/07/2026
Databron
De basisreeksen zijn afkomstig van het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR). Deze reeksen worden verder verwerkt in het econometrische model HERMREG om actuele ramingen te bekomen (tot op heden).
De gegevens voor het bbp zijn gebaseerd op meerdere bronnen: jaarrekeningen van jaarrekeningplichtige ondernemingen, BTW-statistiek voor niet-jaarrekeningplichtige ondernemingen en zelfstandigen en overheidsrekeningen en rekeningen VZW’s voor de andere entiteiten. Al deze informatie wordt aan de hand van de ESR 2010 manual bewerkt en gecompileerd tot de bruto toegevoegde waarde en verder tot het bbp. Het HERMREG model produceert ramingen voor de huidige waarden en prognoses voor de komende jaren. Finaal worden de gegevens omgezet van euro naar euro KKS op basis van Eurostat-data voor België.
Voor de werkgelegenheidscijfers is er een onderscheid tussen de bezoldigde werkgelegenheid en de zelfstandige werkgelegenheid. Voor het aantal bezoldigden (werknemers) is de bron de RSZ en RSZPPO, aangevuld met een paar bijzondere bronnen voor een aantal kleine categorieën. Voor de zelfstandigen zijn de bronnen de RSVZ, de FOD WASO en kleinere bronnen zoals de Land- en Tuinbouwtelling van Statbel. Het HERMREG-model voorziet in een nowcasting van de actuele, ontbrekende waarden.
De basisgegevens bij het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR) zijn raadpleegbaar op de website:
De data worden jaarlijks verzameld.
Statistische populatie
Vlaamse bedrijven en actoren in alle institutionele sectoren:
S11: bedrijven
S12: financiële instellingen
S13: overheid
S14: huishoudens (zelfstandigen)
S15: Instellingen zonder winstoogmerk
Dat zijn de economische actoren die bruto toegevoegde waarde produceren binnen het grondgebied van de regio of het land. De productiefactoren (arbeid, kapitaal) die zij gebruiken kunnen dus van buitenaf komen. Productiefactoren in het grondgebied die elders actief zijn worden niet meegerekend.
Het referentiegebied is het Vlaamse Gewest.
De referentieperiode is kalenderjaar.
Variabelen
Het bruto binnenlands product (bbp) is gelijk aan:
- De verkochte productie (aan de prijs zonder transportkosten indien afzonderlijk gefactureerd en inclusief elke eventuele transportmarge).
- Intermediair verbruik tegen aankoopprijzen (dit is zonder aftrekbare btw, inclusief eventuele niet-aftrekbare btw).
- = (1) – (2) Bruto toegevoegde waarde tegen factorkosten.
- Niet-productgebonden belastingen (belastingen op gebruik grond, gebouwen, milieubelasting…).
- Niet-productgebonden subsidies (voor arbeidskrachten, voor milieubehoud…).
- = (3) + (4) – (5) Bruto toegevoegde waarde tegen basisprijzen
- Productgebonden belastingen (btw, importheffingen en –belastingen, accijnzen).
- Productgebonden subsidies (invoersubsidies, andere subsidies)
- = (6) + (7) – (8) Bruto binnenlands product aan marktprijzen.
De industrie wordt omschreven door de NACE hoofdingen:
B: winning van delfstoffen
C: verwerkende nijverheid
D: elektriciteit en gas
E: distributie van water, afval- en afvalwaterbeheer
De data worden uitgedrukt in koopkrachtstandaard (KKS). Dat is een basis waardoor een monetaire grootheid gecorrigeerd wordt voor bestaande internationale prijsverschillen voor dezelfde goederen en diensten tussen landen (eenzelfde goed of dienst kost immers niet evenveel in elk land). De gegevens voor de Belgische gewesten worden geschat door toepassing van de Belgische koopkrachtstandaard.
De werkgelegenheid omvat de loontrekkende en zelfstandige werkgelegenheid op het grondgebied. Loontrekkenden (werknemers) zijn personen die op grond van een arbeidsovereenkomst (al dan niet formeel) werk verrichten voor een andere ingezeten institutionele eenheid in België en daarvoor loon ontvangen. Personen in loondienst worden alleen bij de werknemers geteld indien ze niet in hoofdzaak als zelfstandige werkzaam zijn.
Zelfstandigen zijn personen die als eigenaar of mede-eigenaar werkzaam zijn in een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid die niet als quasi-vennootschap wordt beschouwd. Onder de zelfstandigen worden ook de niet-betaalde meewerkende gezinsleden gerekend, evenals de thuiswerkers van wie het inkomen afhangt van de output van het productieproces waarvoor zij verantwoordelijk zijn en de werkenden die enkel voor eigen consumptie of eigen investeringen produceren.
Meer informatie in de ESR 2010 manual: European system of accounts. ESA 2010 (europa.eu)
Het gehanteerde classificatiesysteem is het NUTS1-niveau voor de Belgische gewesten.
Bewerkingen
Het bbp is gebaseerd op de bruto toegevoegde waarde, waarbij finaal de productgebonden belastingen minus subsidies worden toegevoegd. Het bbp wordt uitgedrukt in koopkrachtstandaard op basis van gegevens voor België van Eurostat.
1 Bedrijven en zelfstandigen
De jaarrekeningen van bedrijven en de BTW-aangiften zijn de voornaamste bron voor het ramen van de bruto toegevoegde waarde. Voor ondernemingen met vestigingen in meerdere arrondissementen wordt de bruto toegevoegde waarde verdeeld pro rata de lonen (waarvoor data per arrondissement beschikbaar zijn uit de RSZ).
2 Overheid
De bruto toegevoegde waarde wordt nationaal geraamd als de som van de kostenelementen (lonen, afschrijvingen). De regionale verdeling (in voorkomend geval) gebeurt aan de hand van de lonen.
3 Instellingen zonder winstoogmerk
De aggregaten worden geraamd aan de hand van de lonen en in voorkomend geval ook zo regionaal verdeeld.
De werkgelegenheidscijfers worden berekend op basis van trimestriële gegevens van de RSZ, RSZPPO en RSVZ die tot jaarcijfers worden gecompileerd. Het laatste jaar is daarbij voorlopig: bij de verdeling van de cijfers voor multi-arrondissementele entiteiten worden nog de verdeelsleutels van het jaar daarvoor gebruikt.
Voor meer info: m_meth2017n.pdf (nbb.be)
Het INR verwerkt de basisdata op geaggregeerd niveau (laagste geografische niveau = arrondissement, laagste bedrijfstakniveau = NACE 2-digit).
Accuraatheid
Teller (bbp):
Het bbp is gebaseerd op de geproduceerde bruto toegevoegde waarde op het grondgebied van het Vlaamse Gewest. (Grotere) ondernemingen of entiteiten kunnen vestigingen hebben in meerdere gewesten. Daarvoor worden de gegevens uit de jaarrekeningen over output en intermediair verbruik toegerekend aan de vestigingen in een gewest pro rata de spreiding van de lonen over de vestigingen. De informatie over de lonen naar vestiging is afkomstig van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ). De bruto toegevoegde waarde van deze vestigingen in het Vlaamse Gewest zijn dan gebaseerd op een raming.
De cijfers voor het laatst beschikbare jaar uit de INR gegevens (T-2) zijn voorlopig omdat nog niet alle bronnenmateriaal voorhanden is voor een goede regionalisering. In T+1 volgt dan het definitieve cijfer voor T-2. Maar ook de cijfers van vroegere jaren kunnen nog herzien worden (revisie nationale rekeningen, beschikbaar komen beter bronnenmateriaal…).
Noemer (werkgelegenheid):
Berekening in de regionale rekeningen:
Werknemers:
De basis wordt gevormd door de statistiek van het aantal personen in hoofdberoep en het aantal werkende studenten (deze laatste omgerekend over een tewerkstelling op jaarbasis). De bron is de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) en De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten (RSZPPO). Daarbij worden nog een aantal categorieën gevoegd die niet onder deze instellingen vallen, zoals zeelieden, ambassadepersoneel, werkenden in een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap, huishoudpersoneel en zwartwerkers (raming). Voor ondernemingen met vestigingen in meerdere arrondissementen worden de aantallen werkenden proportioneel, omgerekend pro rata het aantal jobs.
Het laatste jaar in de regionale rekeningen is voorlopig. Dat wil zeggen dat de spreiding over de vestigingen nog gebeurt volgens informatie uit het voorgaande jaar (dit wegens nog ontbrekende informatie op dat ogenblik). In het daaropvolgende jaar volgt dan de definitieve omslag over de vestigingen op basis van de dan beschikbaar gekomen informatie over dat jaar.
Zelfstandigen:
Het gaat om het aantal zelfstandigen in hoofdberoep en de helpers (niet de zelfstandigen in bijberoep). Het aantal zelfstandigen wordt geraamd op basis van gegevens van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (WASO) en het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ), en de Land- en Tuinbouwtellingen voor de zelfstandige landbouwers. Voor de spreiding over de bedrijfstakken maakt men gebruik van het aantal eenheden zonder rechtspersoonlijkheid volgens de BTW-statistiek en het repertorium van bedrijfsgegevens bij het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR). Voor de regionale verdeling blijkt dat er amper zelfstandigen zijn met multi-arrondissementeel personeel. Deze worden dan opgenomen in het arrondissement waar ze het meeste personeel tewerkstellen.
Voor de bedrijfstakken niet aan de BTW onderworpen wordt een beroep gedaan op de RSVZ volgens hun eigen beroepennomenclatuur. De geografische spreiding van de RSVZ-gegevens gebeurt op basis van de woonplaats, waarbij verondersteld wordt dat dit in hetzelfde arrondissement is als de werkplaats (bij gebrek aan andere informatie).
Deze brondata worden verwerkt in een econometrisch model (HERMREG) dat zorgt voor ramingen op actuele datum. Tot slot worden de data uitgedrukt in koopkrachtstandaard (KKS). Deze zijn berekend op Belgische gegevens (omwille van de beschikbaarheid).
Vergelijkbaarheid
De teller (bbp) is gebaseerd op de onderliggende data over bruto toegevoegde waarde van het INR.
Deze reeks onderging een revisie van de nationale rekeningen en een wijziging van de verdeelsleutels in de regionale rekeningen.
De belangrijkste methodologische wijzigingen in de nationale rekeningen hadden betrekking op de bestuurders van vennootschappen, de woningdiensten, de verzekeringsdiensten, de diensten van ziekenhuizen, onderzoek en ontwikkeling, de herclassificatie van verenigingen zonder winstoogmerk (test markt/niet-markt), de elektriciteitsproductie door huishoudens, de indirect gemeten diensten van financiële intermediairs en de belastingen en subsidies op productie en invoer. Hierdoor wijzigden de te verdelen cijfers voor België en dit voor alle bedrijfstakken.
De belangrijkste wijzigingen van de te verdelen nationale aggregaten naar de regio’s toe zijn de volgende (ondertussen retro-actief allemaal doorgevoerd):
- Verdeelsleutel ondernemingen met vestigingen in meerdere arrondissementen: vroeger werden de macro-economische variabelen verdeeld volgens het aantal jobs. Nu zijn er meerdere verdeelsleutels naargelang de variabele. Voor de bruto toegevoegde waarde, investeringen en export en import is dit nu gebaseerd op de loonmassa. Er is namelijk een betere correlatie tussen de variabelen in kwestie en de lonen dan het aantal jobs. De kwaliteit van de regionale verdeling verbetert daardoor.
- De bruto toegevoegde waarde van de krediet- en verzekeringsinstellingen zal voortaan niet enkel meer verdeeld worden over de arrondissementen van een multiregionale instelling volgens de beloning van werknemers, maar deels ook volgens de som van ontvangen en betaalde interesten en commissies en ontvangen premies. Ook hier gaat het om een kwaliteitsverbetering.
Bij de versie van de regionale rekeningen van januari 2024 werd de bruto toegevoegde waarde voor het T-1 jaar voor de sector S11 (niet-financiële vennootschappen) niet langer geraamd op basis van de RSZ lonen, maar op basis van gegevens uit de jaarrekeningen.
Wat de noemer betreft (werkgelegenheid) was er in 2021 een wijziging in de verdeling ‘bestuurders’ en ‘overige zelfstandigen’ in de statistiek van de RSVZ, omwille van het gebruik van een nieuwe bron. Het aantal bestuurders nam fors toe ren nadele van bijna alle andere beroepscategorieën. In de nationale/regionale rekeningen wordt die wijziging geleidelijk doorgevoerd tot een volgende methodologische herziening van de nationale rekeningen.
Dit alles maakt dat opeenvolgende versies van de reeks over het bbp per inwoner niet 100% vergelijkbaar zijn.
De statistiek (totaal en naar A38 bedrijfstak) is vergelijkbaar met andere gewesten (NUTS1) en provincies (NUTS2). Voor de totale bruto toegevoegde waarde is ook vergelijkbaarheid met EU-landen en regio’s en met de Belgische arrondissementen (NUTS3).
Voor de vergelijking met EU-landen en –regio’s wordt gebruik gemaakt van de reeks uitgedrukt in koopkrachtstandaard. De gegevens daarvoor zijn te vinden op de website van Eurostat:
Referenties
HERMREG-databank: Regionale economische vooruitzichten
Europese Commissie: Ameco