Verantwoordelijke entiteit
VSA – Vlaamse Statistische Autoriteit
Metadatafiche laatste update
08/07/2026
Databron
Het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR) stelt de gegevens op.
De gegevens zijn gebaseerd op meerdere bronnen: de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ), de RSZPPO (sociale zekerheidsinstelling voor plaatselijke en provinciale besturen) voor de loongegevens. De jaarrekeningen en jaarverslagen van banken geven aanvullende informatie. Verder wordt ook een beroep gedaan op data van de Nationale Bank van België (NBB) en de overheidsrekeningen.
Deze data worden in het econometrisch model HERMREG verwerkt op dat er ramingen voor het huidige, lopende jaar beschikbaar zouden komen.
De data worden jaarlijks verzameld.
Statistische populatie
Vlaamse bedrijven en actoren in alle institutionele sectoren:
S11: bedrijven
S12: financiële instellingen
S13: overheid
S14: huishoudens (zelfstandigen)
S15: Instellingen zonder winstoogmerk
Dat zijn de economische actoren die bruto toegevoegde waarde produceren binnen het grondgebied van de regio of het land, en waarvoor lonen uitbetaald worden.
Het referentiegebied is het Vlaamse Gewest.
De referentieperiode is kalenderjaar: cumulatieve opbouw van lonen over één kalenderjaar.
Variabelen
De loonkosten omvatten de totale vergoeding, in geld of natura door de werkgever aan de werknemer verschuldigd. Het gaat hier niet over het inkomen van zelfstandigen.
De loonkosten per eenheid product (LEP) is de totale verloning van werknemers en zelfstandigen in verhouding tot de bruto toegevoegde waarde. Het inkomen van zelfstandigen wordt geschat door de gemiddelde loonsom per werknemer te vermenigvuldigen met het aantal zelfstandigen.
Bruto toegevoegde waarde: het verschil tussen de marktwaarde van de in 1 jaar geproduceerde goederen en diensten en de waarde van de in het productieproces verbruikte intermediaire goederen en diensten.
Meer informatie in de ESR 2010 manual: European system of accounts. ESA 2010 (europa.eu)
De meeteenheid is euro.
Bewerkingen
De loonmassa wordt samengesteld op basis van diverse bronnen:
De RSZ beschikt over informatie over de loonmassa per individuele onderneming. Het gaat over alle elementen van de brutolonen en -salarissen waarop sociale bijdragen worden betaald evenals de sociale bijdragen zelf (opgesplitst naar werknemersbijdragen – die reeds opgenomen zijn in de brutolonen en -salarissen – en werkgeversbijdragen). Op bepaalde elementen van de beloning moeten echter geen sociale bijdragen betaald te worden. De loonmassa volgens de RSZ moet bijgevolg aangevuld worden.
De jaarrekeningen van de ondernemingen voorzien in informatie over de loonmassa per individuele onderneming: rubriek 62 “bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen” uit de jaarrekening en rubriek 1023 “personeelskosten” uit de sociale balans. Die loonsom is wel volledig maar is enkel gekend voor die ondernemingen die een jaarrekening en sociale balans neerleggen.
In de nationale rekeningen worden beide bronnen gecombineerd om de totale beloning van werknemers te berekenen. Eerst wordt een kernsubpopulatie gedefinieerd met ondernemingen die voldoen aan de volgende criteria: 1. beschikken over loongegevens in elk van de drie bronnen - RSZ, jaarrekening en sociale balans; 2. beschikken over boekhoudkundige gegevens die als bruikbaar worden beschouwd; 3. een boekjaar hebben dat samenvalt met een kalenderjaar. Voor die ondernemingen van de kern wordt de beloning berekend als som van de rubriek 1023 uit de sociale balans en rubriek 624 uit de jaarrekening (bovenwettelijke pensioenen die rechtstreeks door de werkgever worden betaald). Sedert het datajaar 2006 leggen ook VZW’s onder bepaalde voorwaarden jaarrekeningen neer. Die informatie wordt dan ook gebruikt bij het bepalen van de beloning van werknemers bij VZW’s opgenomen in de sector van de niet-financiële ondernemingen en dit vanaf het datajaar 2008.
Voor alle andere ondernemingen die daar niet aan voldoen, geldt de RSZ-informatie als uitgangspunt waarop ophogingscoëfficiënten toegepast worden. De ophogingscoëfficiënten worden berekend op basis van de gegevens van de ondernemingen in de kernsubpopulatie. Door vergelijking van de loonmassa volgens de RSZ enerzijds en volgens de som van de rubrieken 1023 van de sociale balans en 624 van de jaarrekening anderzijds, worden per bedrijfstak coëfficiënten berekend waarmee de RSZ-loonmassa dient te worden opgehoogd. Naargelang het gaat over grote of kleine bedrijven worden er afzonderlijke coëfficiënten berekend. De ophoging van de RSZ-loonmassa gebeurt per onderneming. Groepering van de aldus berekende loonmassa van alle ondernemingen met dezelfde hoofdactiviteit geeft de beloning van de werknemers per bedrijfstak.
Er worden nog een aantal elementen toegevoegd zoals lonen in natura, fooien, ramingen voor zwartwerk,….
Voor de financiële instellingen wordt ook gebruik gemaakt van informatie uit de Structuurenquête Ondernemingen. Voor de sector overheid wordt gebruik gemaakt van de overheidsrekeningen en budgetten.
Deze werkwijze wordt ook regionaal toegepast voor de uni-arrondissementele ondernemingen. Voor ondernemingen met vestigingen in meerdere arrondissementen wordt de RSZ-loonmassa als verdeelsleutel gebruikt om het totaal dat berekend werd voor het hele bedrijf te regionaliseren.
De bruto toegevoegde waarde wordt opgemaakt voor de institutionele sectoren.
1 Bedrijven en zelfstandigen
De jaarrekeningen van bedrijven en de BTW-aangiften zijn de voornaamste bron voor het ramen van de bruto toegevoegde waarde. Voor ondernemingen met vestigingen in meerdere arrondissementen wordt de bruto toegevoegde waarde verdeeld pro rata de lonen (waarvoor data per arrondissement beschikbaar zijn uit de RSZ).
2 Overheid
De bruto toegevoegde waarde wordt nationaal geraamd als de som van de kostenelementen (lonen, afschrijvingen). De regionale verdeling (in voorkomend geval) gebeurt aan de hand van de lonen.
3 Instellingen zonder winstoogmerk
De aggregaten worden geraamd aan de hand van de lonen en in voorkomend geval ook zo regionaal verdeeld.
Voor meer info: m_meth2017n.pdf (nbb.be)
Het INR verwerkt de basisdata op geaggregeerd niveau (laagste geografische niveau = arrondissement, laagste bedrijfstakniveau = NACE 2-digit).
Accuraatheid
Het gaat om de lonen en de geproduceerde bruto toegevoegde waarde (volgens de regionale rekeningen) op het grondgebied van het Vlaamse Gewest. (Grotere) ondernemingen of entiteiten kunnen vestigingen hebben in meerdere gewesten. Daarvoor worden de gegevens toegerekend aan de vestigingen in een gewest pro rata de spreiding van de lonen over de vestigingen volgens de RSZ. De informatie over de lonen naar vestiging is afkomstig van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ). De lonen en de bruto toegevoegde waarde van deze vestigingen in het Vlaamse Gewest zijn dan gebaseerd op een raming.
De cijfers van de lonen voor het laatst beschikbare jaar (T-2) zijn voorlopig omdat nog niet alle bronnenmateriaal voorhanden is voor een goede regionalisering. In T+1 volgt dan het definitieve cijfer voor T-2. Maar ook de cijfers van vroegere jaren kunnen nog herzien worden (revisie nationale rekeningen, beschikbaar komen beter bronnenmateriaal…).
Vergelijkbaarheid
De statistiek (totaal en naar A38 bedrijfstak) is vergelijkbaar met andere gewesten (NUTS1) en provincies (NUTS2). Voor de totale lonen en bruto toegevoegde waarde is ook vergelijkbaarheid met EU-landen en regio’s en met de Belgische arrondissementen (NUTS3).
Voor de vergelijking met EU-landen en –regio’s wordt best gebruik gemaakt van de reeks uitgedrukt in koopkrachtstandaard. De gegevens daarvoor zijn te vinden op de website van Eurostat: Database - Eurostat (europa.eu)
Referenties
HERMREG-databank: Regionale economische vooruitzichten