Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden

Leerling-leerkracht-ratio laagst in secundair onderwijs, hoogst in hoger onderwijs

Het aantal leerlingen per voltijds onderwijzend personeelslid lag in het schooljaar 2019-2020 in het secundair onderwijs op 9. Die leerling-leerkracht-ratio lag hoger in het kleuter- en lager onderwijs (13) en in het hoger onderwijs (19). Het gaat telkens over cijfers over het Vlaamse onderwijs.

De leerling-leerkracht-ratio geeft het aantal leerlingen weer per voltijds equivalent bezoldigd onderwijzend personeelslid. De ratio is niet gelijk aan de gemiddelde klasgrootte, maar is eerder een investeringsindicator. Hoe lager de ratio, hoe meer investeringen in onderwijzend personeel werden gedaan.

De leerling-leerkracht-ratio’s zijn tussen de schooljaren 2014-2015 en 2019-2020 licht gedaald in het lager en secundair onderwijs. In het kleuter- en hoger onderwijs zijn sterkere dalingen vast te stellen.

Vlaamse leerling-leerkracht-ratio in vergelijking met buurlanden laag in lager en secundair, hoog in hoger onderwijs

In het schooljaar 2019-2020 nam het Vlaamse kleuteronderwijs in vergelijking met de buurlanden een middenpositie in. Duitsland had de laagste leerling-leerkracht-ratio (9), Frankrijk de hoogste (23). Het Vlaamse cijfer was gelijk aan het EU27-gemiddelde.

Wat het lager onderwijs betreft, bereikte de Vlaamse Gemeenschap de laagste ratio in vergelijking met de buurlanden, samen met België. Frankrijk (18) had de hoogste. Het Vlaamse cijfer lag iets lager dan dat van de EU27 als geheel.

Ook in het hoger secundair onderwijs kende de Vlaamse Gemeenschap (samen met België) in vergelijking met de buurlanden de laagste ratio. Nederland vertoonde de hoogste waarde (18). Het EU27-gemiddelde bedroeg hier 11.

In het hoger onderwijs daarentegen liet het Vlaamse onderwijs een hogere ratio optekenen dan de buurlanden. Van de buurlanden scoorde Duitsland het laagst met een ratio van 12.