Gedaan met laden. U bevindt zich op: Leerling-leerkrachtratio Onderwijs en vorming

Leerling-leerkrachtratio

Gepubliceerd op 29 september 2026 • Volgende update: september 2027
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden

Leerling-leerkrachtratio laagst in secundair onderwijs, hoogst in hoger onderwijs

In het schooljaar 2023-2024 telde het Vlaamse secundair onderwijs gemiddeld 9 leerlingen per voltijds onderwijzend personeelslid. De leerling-leerkrachtratio lag hoger in het kleuteronderwijs (13), het lager onderwijs (12) en in het hoger onderwijs (22). Het gaat telkens om cijfers inclusief de leerlingen van het Vlaamse onderwijs in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

De leerling-leerkrachtratio geeft het aantal leerlingen weer per voltijds equivalent bezoldigd onderwijzend personeelslid. De ratio is om meerdere redenen niet gelijk aan de gemiddelde klasgrootte, maar is eerder een investeringsindicator. Hoe lager de ratio, hoe meer investeringen in onderwijzend personeel werden gedaan.

De leerling-leerkrachtratio’s zijn tussen de schooljaren 2014-2015 en 2023-2024 licht gedaald, behalve in het hoger onderwijs, waar de ratio iets hoger is dan het niveau van 2014-2015.

Vlaamse leerling-leerkrachtratio laag in lager en secundair onderwijs in vergelijking met buurlanden, middenpositie in kleuteronderwijs

In het schooljaar 2023-2024 nam het kleuteronderwijs in de Vlaamse Gemeenschap op vlak van de leerling-leerkrachtratio een middenpositie in tegenover de buurlanden. Duitsland had de laagste ratio (9), Frankrijk de hoogste (18). Het Vlaamse cijfer (13) lag iets hoger dan het EU27-gemiddelde (12).

Wat het lager onderwijs betreft, kende de Vlaamse Gemeenschap in vergelijking met de buurlanden de laagste ratio, samen met België. Frankrijk (18) had de hoogste ratio. Het Vlaamse cijfer (12) lag dicht bij het EU27-gemiddelde (13).

Ook in het secundair onderwijs hadden de Vlaamse Gemeenschap en België in vergelijking met de buurlanden de laagste ratio. Het Vlaamse cijfer wijkt hier sterker af van het EU27-gemiddelde dan in het lager onderwijs. Nederland vertoonde de hoogste waarde voor zowel het lager secundair als het hoger secundair onderwijs (telkens 16). Het EU27-gemiddelde lag op 12 voor het lager secundair en 11 voor het hoger secundair.

In het hoger onderwijs daarentegen liet de Vlaamse Gemeenschap een hogere ratio optekenen dan de buurlanden. Van de buurlanden scoorde Duitsland het laagst met een ratio van 11. Voor Frankrijk en de EU27 zijn geen cijfers beschikbaar.