Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26074 - Voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst - stelsel scheiding van goederen - optioneel toekenningsbeding Vlaamse Belastingdienst

VB 26074 - Voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst - stelsel scheiding van goederen - optioneel toekenningsbeding

Voorafgaande beslissing
Nummer

26074

Datum beslissing

10 augustus 2026

Publicatiedatum

25 september 2026

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.3. VCF
  • art. 2.7.1.0.4. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 2.8.1.0.1. VCF
  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De heer en mevrouw X - Y wensen in het huwelijk te treden, dit teneinde blijk te geven van hun solidariteit tegenover elkaar en om te voorzien in een (vermogensrechtelijke) bescherming van elkaar, in het bijzonder in geval van overlijden van één van hen.

De heer en mevrouw X - Y wensen te opteren voor een basisstelsel van scheiding van goederen en dit gelet op hun beider professionele activiteiten (zie infra) teneinde elkaar te beschermen tegen mogelijke aanspraken van de (professionele) schuldeisers van hen beide.

In dat opzicht nemen zij zich voor een huwelijksovereenkomst te verlijden, waarbij zij het stelsel van zuivere scheiding van goederen zullen aannemen met toevoeging van een (optioneel) toekenningsbeding met betrekking tot (welbepaalde) eigen goederen ten voordele van de langstlevende van hen.[1]

2. Deze aanvraag heeft betrekking op de fiscale behandeling van het (optioneel) toekenningsbeding dat de aanvragers wensen toe te voegen in hun huwelijksovereenkomst.

De aanvragers wensen met betrekking tot hierna vermelde artikel 25 en artikel 26 van de huwelijksovereenkomst zekerheid over de fiscale behandeling. Daarom vragen zij om bevestiging te krijgen dat:

  • het toekenningsbeding (en de uitwerking daarvan) niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF;
  • het toekenningsbeding (en de uitwerking daarvan) geen fiscaal misbruik vormt, zodat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is.

3. De aanvragers verzoeken bovendien uitdrukkelijk overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF dat gelet op het voorwerp van de onderhavige aanvraag, de termijn waarvoor de beslissing wordt getroffen langer zal zijn dan vijf (5) jaar. Meer bepaald een geldigheidsduur van de afgeleverde beslissing tot en met het eerste overlijden van de toekomstige echtgenoten.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II. A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

4. De aanvraag wordt ingediend door […] namens:

De heer X (rijksregisternummer […]) en mevrouw Y (rijksregisternummer […]) samenwonende te […].

Zij hebben hun woonplaats reeds meer dan vijf jaar in het Vlaamse Gewest.

De heer en mevrouw X-Y worden verder ook genoemd ‘de toekomstige echtgenoten’ of de ‘aanvragers’.

De aanvragers vormen sinds 2022 een koppel. Op xx.xx.2024 hebben zij een verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand.

De aanvragers zijn de ouders van A (thans […] jaar).

5. Beide aanvragers zijn actief in de private sector.

De heer X oefent zijn activiteiten uit als zelfstandige via de vennootschap BV B (KBO […]), waarvan hij 100% van de aandelen in volle eigendom houdt. In dat kader is hij actief in de sector van […]. Hij is zaakvoerder en bestuurder van voormelde vennootschap die onder de handelsnaam "[…]" naar buiten treedt en gespecialiseerd is in […]. De activiteiten omvatten onder meer […].[2]

Mevrouw Y is […] van beroep. Zij oefent dit beroep uit binnen een vennootschapsstructuur, met name via de BV C (KBO […]). Deze vennootschap werd op xx.xx.2019 opgericht door mevrouw Y samen met […]. […].[3]

Het voorwerp van de vennootschap is […]. Mevrouw Y werd bij de oprichting, samen met […], benoemd tot statutair bestuurder van de vennootschap voor de duur van de vennootschap. Dit mandaat is bezoldigd.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting

6. De heer en mevrouw X - Y wensen in het huwelijk te treden dit teneinde blijk te geven van hun solidariteit tegenover elkaar en om elkaar te beschermen, in het bijzonder in geval van overlijden van één van hen.

Zij wensen te huwen onder het stelsel van scheiding van goederen omdat ze een groot belang hechten aan hun professionele autonomie, aan de bescherming tegen (professionele) schuldeisers en omdat ze niet wensen te voorzien in een vermogensdeling (zakenrechtelijk of verbintenisrechtelijk) in geval van ontbinding van het huwelijk om een andere reden dan door overlijden.

Zij wensen uiteraard wel in een bescherming te voorzien voor de langstlevende echtgenoot, waarbij de langstlevende van hen het integrale vermogen zoveel mogelijk kan behouden, voor zover als mogelijk in volle eigendom.

Ingevolge de wet van 22 juli 2018 is het mogelijk om huwelijksvoordelen aan elkaar toe te kennen, in het bijzonder in het geval van overlijden, met civielrechtelijke voordelen die testamentaire beschikkingen of contractuele erfstelling niet bieden. Dergelijke voordelen zouden, indien testamentair of via contractuele erfstelling buiten huwelijksovereenkomst toegekend, eenzijdig herroepen kunnen worden, wat de toekomstige echtgenoten niet wensen. De voorgenomen bedingen van toebedeling en toekenning zijn niet eenzijdig herroepbaar.

Voorwerp van de verrichting

7. De aanvragers bezitten op vandaag nog geen goederen in onverdeeldheid.

Mogelijks zullen de toekomstige echtgenoten in de toekomst andere roerende of onroerende goederen in onverdeeldheid verwerven.

8. Elke toekomstige echtgenoot heeft evenwel goederen die niet in onverdeeldheid zijn met de andere.

De heer X is eigenaar (in volle eigendom, tenzij anders vermeld) van:

Onroerende goederen:

[…]

Roerende goederen:

  • 100% van de aandelen op naam in de vennootschap BV B (KBO […]);
  • Diverse bank- & beleggingsrekeningen en verzekeringsproducten, bij diverse instellingen.

Mevrouw Y is eigenaar (in volle eigendom, tenzij anders vermeld) van:

Onroerende goederen:

[…]

Roerende goederen:

  • 50% van de aandelen op naam in de vennootschap BV C (KBO […]);
  • Diverse bank- & beleggingsrekeningen en verzekeringsproducten, bij diverse instellingen.

Mogelijks zal één of elke toekomstige echtgenoot ook in de toekomst andere roerende of onroerende goederen verwerven die niet zullen behoren tot een onverdeeldheid met de andere echtgenoot. Al dan niet in het kader van zijn/haar professionele activiteiten.

Toekenningsbeding:

9. Het (optioneel) toekenningsbeding [4] beoogt in casu, ten voordele van de langstlevende echtgenoot, de toekenning in volle en exclusieve eigendom van de eigen goederen van de eerst overleden echtgenoot, met uitzondering van de goederen die de echtgenoten uitdrukkelijk van de toepassing van dit beding hebben uitgesloten.

Het betreft aldus een beperkt toekenningsbeding: in beginsel vallen alle eigen goederen van de eerst overleden echtgenoot onder het beding, behoudens de in de huwelijksovereenkomst opgesomde uitgesloten goederen.

Ook dit toekenningsbeding wensen de echtgenoten optioneel te formuleren, in die zin dat de langstlevende echtgenoot vrij kiest of, en in welke mate, hij of zij de toekenning inroept.[5]

III. Motivering van de aanvraag

10. Onderhavige aanvraag strekt ertoe de bevestiging te verkrijgen dat:

  • het toekenningsbeding (en de uitwerking daarvan) zoals opgenomen in het ontwerp van de huwelijksovereenkomst niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF en geen van deze bepalingen frustreert, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is;
  • het toekenningsbeding (en de uitwerking daarvan) zoals opgenomen in het ontwerp van de huwelijksovereenkomst geen fiscaal misbruik vormt, zodat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is.

1. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF

11. Artikel 2.7.1.0.2 VCF belast met erfbelasting goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, hetzij via wettelijke devolutie, hetzij via uiterste wilsbeschikking of hetzij via contractuele erfstelling.

Het voordeel dat de langstlevende echtgenoot ingevolge de toevoeging van het toekenningsbeding in de huwelijksovereenkomst zou verkrijgen wordt echter niet uit de nalatenschap (en dus niet via een wettelijke devolutie, noch via een uiterste wilsbeschikking, noch via een contractuele erfstelling) verkregen. Het voordeel wordt louter huwelijksvermogensrechtelijk verkregen als een huwelijksvoordeel en dus niet als schenking.

De kwalificatie als huwelijksvoordeel werkt ook in een stelsel van scheiding van goederen zoals dit voor de aanvragers het geval is en dit overeenkomstig artikel 2.3.64, §1 vierde lid van het Burgerlijk Wetboek.

Een dergelijk huwelijksvoordeel wordt burgerrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor één van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel, zoals o.m. bepaald in de artikelen 2.3.57 tot 2.6.60 van het Burgerlijk Wetboek.

Dit impliceert dat het huwelijksvoordeel huwelijksvermogensrechtelijk wordt verkregen uit hoofde van de vereffening-verdeling van het huwelijksstelsel. Deze vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel gaat steeds vooraf aan de vereffening-verdeling van de nalatenschap.[6] Om deze redenen kan de verkrijging niet worden beschouwd als een erfrechtelijke verkrijging.

Een huwelijksvoordeel is civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding ook geen contractuele erfstelling. Een huwelijksvoordeel wordt objectief gekwalificeerd als een “niet-schenking”, dit houdt in dat het irrelevant is wat de subjectieve beweegredenen van de toekomstige echtgenoten zijn geweest om het voordeel-genererend beding in hun huwelijksovereenkomst op te nemen. Dit beding blijft gelden ook al zou er een intentie om te begiftigen voorafgaan. Als een dergelijk intentie om te begiftigen al zou bestaan, dan kan ze zelfs niet worden ingeroepen en zou het bewijs ervan zelfs niet mogen worden geleverd.[7] Een huwelijksvoordeel kan bijgevolg nooit geherkwalificeerd worden als een schenking onder voorwendsel dat het door een intentie om te begiftigen zou zijn voorafgegaan.[8]

Een huwelijksvoordeel is hooguit inkortbaar indien de maxima of plafonds, zoals vermeld in artikel 2.3.57 van het Burgerlijk wetboek bij samenloop met gemeenschappelijke kinderen of indien de maxima of plafonds van artikel 2.3.58 van het Burgerlijk Wetboek bij samenloop met niet-gemeenschappelijke kinderen zijn overschreden. Ook een inkortbaar huwelijksvoordeel blijft evenwel een “niet-schenking”.

Deze burgerrechtelijke kwalificatie werkt in het fiscaal recht door.[9] Dat bevestigde het Hof van Cassatie reeds bij arrest van 9 juli 1931. Het fiscaal recht moet de kwalificatie als huwelijksvoordeel en dus als “niet-schenking” voor zowel volkomen als onvolkomen huwelijksvoordelen aanvaarden, tenzij een specifieke of expliciete fiscale bepaling daarvan zou afwijken.

De overgang/toebedeling/toekenning van de onverdeelde en eigen goederen op grond van het overwogen toekenningsbeding dat in de huwelijksovereenkomst werd opgenomen, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF.[10]

2. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

12. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF belast met erfbelasting de roerende goederen die de erflater heeft geschonken onder de opschortende voorwaarde of termijn die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenker.

Aangezien de verrichting, zoals voormeld, wordt gekwalificeerd als een huwelijksvoordeel en dus als een “niet-schenking”, kan ook artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet toegepast worden op het voordeel dat de langstlevende zou toekomen.

Hoewel het toekenningsbeding pas uitwerking zal hebben bij het overlijden van één van de toekomstige echtgenoten, kan er van een schenking geen sprake zijn vermits de burgerrechtelijke kwalificatie als “niet-schenking” (zie hoger) dient te worden doorgetrokken op fiscaal vlak.

De overgang/toebedeling/toekenning van de onverdeelde en/of eigen goederen op grond van het toekenningsbeding in de huwelijksovereenkomst, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.[11]

3. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF

13. Artikel 2.7.1.0.4 VCF belast met erfbelasting de goederen die de langstlevende echtgenoot verkrijgt ingevolge een huwelijksvoordeel, waardoor hij/zij meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen verkrijgt.

De toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF is beperkt tot situaties waarin sprake is van huwelijksvoordelen die binnen een gemeenschapsstelsel en met betrekking tot gemeenschapsgoederen worden bedongen.[12]

Huwelijksvoordelen die betrekking hebben op goederen die tot het eigen vermogen van de toekomstige echtgenoten behoren binnen een stelsel van scheiding van goederen, blijven vervolgens buiten het toepassingsgebied van deze fictiebepaling.

Tussen de aanvragers bestaat geen huwgemeenschap. Ze zijn voornemens te huwen onder het stelsel van scheiding van goederen. Daaraan werd een toekenningsbeding toegevoegd voor het geval van overlijden, dat betrekking heeft op de eigen goederen, niet op goederen die afhangen van een huwgemeenschap.

De voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF zijn derhalve niet vervuld voor het toekenningsbeding.

De toebedeling/overgang/toekenning op grond van het toekenningsbeding in de huwelijksovereenkomst van de aanvragers kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.[13]

4. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF

14. Artikel 2.7.1.0.5 VCF belast met erfbelasting de goederen waarvan de Vlaamse Belastingdienst bewijst dat de erflater er kosteloos heeft over beschikt gedurende drie jaar voorafgaand aan zijn overlijden, tenzij de bevoordeling onderworpen is geweest aan schenkbelasting of registratierechten op schenkingen onder levenden.

Voor de heffing van erfbelasting op grond van dit artikel moeten derhalve drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld:

(1) Een kosteloze beschikking:

Het toekenningsbeding verstrekt geen kosteloze beschikking zoals reeds hierboven werd aangehaald.

Een huwelijksvoordeel kan niet gelijkgesteld worden met een kosteloze beschikking (schenking). Zo oordeelde ook het Hof van Cassatie (Cass. 10 december 2010, Cass. 5 januari 2017).

(2) Gedurende vijf jaar voorafgaand aan het overlijden:

Het toekenningsbeding zal worden opgenomen in een huwelijksovereenkomst. Daar het huwelijksvoordeel in het voordeel van de langstlevende echtgenoot pas tot stand komt bij het overlijden kan er geen sprake zijn van een beschikking die tot stand komt in enige periode voor het overlijden. Er kan derhalve geen sprake zijn van een schenking in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het overlijden.

(3) Waardoor een bevoordeling is ontstaan die niet onderworpen is geweest aan schenkbelasting of registratierechten op schenkingen onder levenden:

Aangezien er geen sprake is van een kosteloze beschikking en er derhalve geen sprake is van een bevoordeling in de zin van artikel 2.7.1.0.5 VCF kan er geen aanleiding zijn geweest tot de heffing van schenkbelasting of enig registratierecht.

De overgang/toebedeling/toekenning op grond van het toekenningsbeding in de huwelijksovereenkomst van de toekomstige echtgenoten kan niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.[14]

5. Geen beding van aanwas noch kanscontract in de zin van het Vlabel standpunt nr. 17044

15. Het toekenningsbeding is zoals hoger uiteengezet een huwelijksvoordeel, dat beheerst wordt door de specifieke regels van het huwelijksvermogensrecht en de kwalificatie die ze aan huwelijksvoordelen toekennen. Het toekenningsbeding kan niet worden beschouwd als een aanwasovereenkomst, noch als een kanscontract. Het toekenningsbeding dient derhalve niet te voldoen aan de voorwaarden vermeld in het Vlabel standpunt met nummer 17044.

6. Geen toepassing van artikelen 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF

16. Artikel 2.8.1.0.1 VCF en artikel 2.8.4.1.1 VCF belasten naar aanleiding van een registratie of een verplichting tot registratie van akten en geschriften, die tot bewijs strekken van een schenking onder levenden, in de registratiebelasting.

Omwille van de voormelde kwalificatie van een toekenningsbeding als huwelijksvoordeel kan op het voordeel dat de langstlevende echtgenoot zou verkrijgen op basis van het toekenningsbeding, artikel 2.8.1.0.1 VCF niet worden toegepast. Van een schenking is in casu geen sprake. Er is louter sprake van een huwelijksvoordeel.

Bijgevolg is evenmin artikel 2.8.4.1.1 VCF van toepassing.

7. Eventuele toepassing van artikelen 2.9.1.0.1 en 2.10.1.0.1 VCF

17. De aanvragers bevestigen te weten dat het volgende geldt voor de in België gelegen onroerende goederen:

  • Indien bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door het overlijden van een echtgenoot en deze een eigen onroerend goed heeft (niet in onverdeeldheid met de andere echtgenoot), het toekenningsbeding tot de heffing leidt van het verkooprecht indien de verkrijger door de werking van dat beding een aandeel in het onroerend goed verkrijgt (en hij/zij eerder geen aandeel in dat onroerend goed had) (art. 2.9.1.0.1 VCF).

Zij zijn op heden (nog) niet gehuwd, het gaat in casu dus evenmin om een wijziging van een reeds bestaande huwelijksovereenkomst. Zij wensen thans met elkaar in het huwelijk te treden en wensen hun wederzijdse engagementen te regelen in één en dezelfde huwelijksovereenkomst.

8. De verrichting maakt evenmin fiscaal misbruik uit

18. De aanvragers plaatsen zich op geen enkele manier in een toestand die strijdig is met de doelstellingen van de fiscale wetgeving door implementatie van de verrichting (objectief element). Daarnaast verantwoorden zij waarom het toekenningsbeding aansluit bij hun uitgangspunten en doelstellingen, en de niet-fiscale motieven dominant zijn (subjectief element).

8.1. Objectief element: geen frustratie van de doelstellingen van de fiscale wetgeving

19. De aanvragers verzoeken de bevoegde entiteit te bevestigen dat het voordeel dat de langstlevende zal verkrijgen door de toepassing van het optioneel toekenningsbeding niet zal worden onderworpen aan de hierna vermelde decretale bepalingen.

De wijziging van het huwelijkscontract frustreert geenszins de fictiebepalingen 2.7.1.0.2, 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.4, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF.

8.1.1. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.2 VCF

20. Artikel 2.7.1.0.2 VCF belast met erfbelasting goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling. Het voordeel dat de langstlevende ingevolge het toekenningsbeding zal verkrijgen, wordt echter niet uit de nalatenschap verkregen (dus niet via wettelijke devolutie, noch door uiterste wilsbeschikking, noch door een contractuele erfstelling).

In casu is er, zoals hoger uiteengezet, sprake van een voordeel dat louter huwelijksvermogensrechtelijk wordt verkregen, als een huwelijksvoordeel, en dus als niet-schenking. Het huwelijksvoordeel is dus niet onderworpen aan artikel 2.7.1.0.2 VCF.

21. De toekomstige echtgenoten frustreren deze bepaling niet, vermits ze enkel een huwelijksvermogensrechtelijke regeling beogen. Ze kunnen de gewenste doelstellingen niet met dezelfde civiele gevolgen bereiken, noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, noch door een contractuele erfstelling.

De toekomstige echtgenoten wensen te herhalen dat het in casu niet gaat over een wijziging aan een huwelijksstelsel, huwelijksovereenkomst, of andere. Partijen zijn op heden wettelijk samenwonend en wensen met elkaar in het huwelijk te treden. Zij zijn nog niet gehuwd, noch gaat het om een wijziging van het stelsel.

Rekening houdend met de professionele activiteiten van de beide toekomstige echtgenoten, die allebei als zelfstandige actief zijn via hun eigen vennootschap en daarbij aanzienlijke beroeps- en ondernemersrisico’s dragen, is het huwelijksvermogensstelsel van scheiding van goederen voor de aanvragers aangewezen. Dit stelsel laat toe een maximale afscherming te behouden tussen de respectieve vermogens en biedt bescherming tegen eventuele aanspraken van professionele schuldeisers.

Zij wensen niet te voorzien in een vermogensdeling (zakenrechtelijk of verbintenisrechtelijk) in geval van ontbinding van het huwelijk om een andere reden dan overlijden, maar wel in een verregaande bescherming van de langstlevende echtgenoot.

De aanvragers bezitten op heden nog geen onverdeelde goederen, maar wel al aanzienlijke eigen, niet-onverdeelde goederen (waaronder onder meer hun respectievelijke aandelen in hun vennootschappen en enkele onroerende goederen). Zij wensen aan deze bestaande feitelijke en vermogensrechtelijke situatie geen fundamentele wijzigingen aan te brengen: elk van hen heeft vóór en tijdens de relatie een eigen vermogen opgebouwd, deels met eigen beroepsinkomsten, deels via familiale schenkingen (zoals het aandeel van mevrouw Y in bepaalde onroerende goederen).

De keuze voor deze huwelijksvoordelen is ingegeven door de wens om, binnen een stelsel van scheiding van goederen, de langstlevende echtgenoot maximaal te beschermen en hem/haar toe te laten het integrale vermogen – zowel de onverdeelde goederen als de eigen goederen – zoveel mogelijk in volle eigendom te behouden, met behoud van de huidige autonomie in het beheer en bestuur van de eigen vermogens. De aanvragers wensen aldus hun wederzijdse solidariteit uitdrukkelijk te bevestigen voor het geval het huwelijk door overlijden wordt ontbonden, zonder vandaag reeds een overdracht bij leven tussen hen tot stand te brengen.

Een schenking tussen echtgenoten zou weliswaar onherroepelijk kunnen worden bedongen, door opname ervan in de huwelijksovereenkomst. Maar dit zou tot een onmiddellijke overdracht van vermogen van de echtgenootschenker teweegbrengen wat veel verder reikt dan wat de echtgenoten wensen. Het is niet de bedoeling om tussen de toekomstige echtgenoten een overdracht bij leven tot stand te brengen.

Ook een contractuele erfstelling is een rem op het beschikkingsrecht in hoofde van elk van de aanvragers. Uit de bepalingen van het ontwerp van huwelijksovereenkomst blijkt dat de aanvragers de nodige flexibiliteit voor zichzelf willen behouden; het ontwerp van huwelijksovereenkomst legt geen beperkingen op m.b.t. het doen van schenkingen aan derden, alsook m.b.t. het beschikken over de exclusief eigen goederen bij testament.

Enkel voor daden van beschikking m.b.t. onverdeelde goederen zal de medewerking van beide toekomstige echtgenoten vereist zijn. Dergelijke voordelen zouden, indien testamentair of via contractuele erfstelling buiten huwelijksovereenkomst toegekend, bovendien eenzijdig herroepen kunnen worden, wat de toekomstige echtgenoten evenmin wensen.

Deze doelstelling zou in principe kunnen worden bereikt met een aanwascontract of kanscontract. Een aanwascontract of kanscontract (onder bewarende titel) zijn in casu niet mogelijk. Het Vlabel standpunt met nummer 17044 bepaalt immers onder meer dat er sprake moet zijn van een gelijkwaardige inleg. Hetgeen hier niet aan de orde is. Ook de exclusief eigen goederen kunnen op deze manier niet worden geregeld. Een toekenningsbeding blijft onder bezwarende titel ook al is de inleg en/of levensverwachting ongelijk.

Als laatste streven de aanvragers ook naar flexibiliteit die ze voor de langstlevende wensen zodat hij of zij op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijk door overlijden zelf mag bepalen of en in welke mate hij of zij zich op het optioneel toekenningsbeding wil beroepen.

8.1.2. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

22. De verrichtingen frustreren de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet, omdat de echtgenoten niet overgaan tot een schenking onder een opschortende voorwaarde of termijn die wordt vervuld door het overlijden van de eerste echtgenoot. Een toekenningsbeding is zoals vermeld een huwelijksvoordeel en geen schenking.

8.1.3. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.4 VCF

23. De aanvragers frustreren artikel 2.7.1.0.4 VCF niet omdat de goederen waaraan het toekenningsbeding worden gekoppeld niet tot een huwgemeenschap behoren, maar wel tot de eigen vermogens van de echtgenoten.

8.1.4. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.5 VCF

24. De verrichting frustreert verder noch artikel 2.7.1.0.5 VCF omdat het toekenningsbeding, zoals hoger uiteengezet, als huwelijksvoordeel niet kan worden gelijkgesteld met een schenking.

8.1.5. Geen frustratie van artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF

25. Het toekenningsbeding betreft een huwelijksvoordeel en geen schenkingen, waardoor artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF evenmin worden gefrustreerd door de verrichtingen.

8.2. Subjectief element: de verrichtingen zijn ingegeven door niet-fiscale motieven

26. Uit wat voorafgaat blijkt reeds dat de aanvragers wensen te huwen en de voormelde bedingen wensen te doen opnemen in hun huwelijksovereenkomst omwille van niet-fiscale motieven.

De aanvragers vormen sinds 2022 een duurzame relatie en hebben inmiddels samen een dochtertje, A. Zij zijn sinds xx.xx.2024 wettelijk samenwonend en wensen thans in het huwelijk te treden om hun wederzijdse solidariteit juridisch te verankeren en de langstlevende maximaal te beschermen, zonder daarbij hun vermogensrechtelijke autonomie prijs te geven.

Zoals reeds ten overvloede gesteld zijn zij allebei zelfstandige ondernemer en bestuurder van hun eigen vennootschap. Hun beider professionele activiteiten brengen aanzienlijke risico’s met zich mee, die een duidelijke afscherming van vermogens vereisen.

Hoewel de aanvragers hun vermogens strikt gescheiden wensen te houden, erkennen zij dat hun huidige levenskeuzes en wederzijdse ondersteuning essentieel zijn geweest en blijven voor zowel het gezinsleven als de professionele activiteiten van de beide toekomstige echtgenoten.

In dat opzicht wensen zij een huwelijksovereenkomst die:

  • hun respectieve eigen vermogens beschermt;
  • hen volledige autonomie laat inzake beheer en beschikking;
  • voorziet in een efficiënte en rechtszekere bescherming van de langstlevende echtgenoot;
  • en complexiteit en conflicten bij overlijden vermijdt.

Een testament biedt in deze context onvoldoende zekerheid, aangezien het eenzijdig kan worden herroepen.

Ook een contractuele erfstelling of schenking buiten huwelijksovereenkomst beantwoordt niet aan de wensen van de aanvragers, net omdat deze ofwel herroepbaar zijn, ofwel leiden tot een onmiddellijke vermogensoverdracht.

Bovendien is het toekenningsbeding niet als een veralgemeende, ongedifferentieerde toekenning opgevat, maar weloverwogen en specifiek omschreven. De aanvragers hebben er bewust voor gekozen om het beding te beperken: in beginsel vallen de eigen goederen van de eerst overleden echtgenoot onder de toekenning, doch met uitdrukkelijke uitsluiting van bepaalde goederen, en in het bijzonder van de goederen die mevrouw Y door schenking of erfenis heeft verkregen of in de toekomst nog zal verkrijgen. Op die manier blijft het familiaal vermogen van mevrouw Y — dat afkomstig is of zal zijn uit haar eigen familiale lijn — buiten de werking van het huwelijksvoordeel en wordt het van het overige eigen vermogen afgescheiden gehouden.

Deze afbakening illustreert dat de aanvragers met de grootst mogelijke zorg en vanuit zuiver civielrechtelijke en familiale overwegingen hebben bepaald welke vermogensbestanddelen zij wél en welke zij niet aan de langstlevende wensen toe te kennen. De keuze om het geërfde en geschonken familievermogen te laten toekomen aan de eigen (bloed)verwanten, veeleer dan aan de langstlevende echtgenoot, bevestigt dat het beding is ingegeven door de bekommernis om dit vermogen binnen de familie van mevrouw Y te behouden, en niet door enig fiscaal oogmerk.

Het optioneel toekenningsbeding binnen het stelsel van scheiding van goederen biedt daarentegen een evenwichtige oplossing. Alternatieve stelsels, zoals een gemeenschap, toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV) of een finaal verrekenbeding, sluiten niet aan bij de concrete noden en doelstellingen van de aanvragers. Deze systemen impliceren ofwel een ongewenste vermenging van vermogens, ofwel complexe en uitgestelde afwikkelingen die de positie van de langstlevende echtgenoot verzwakken.

Gelet op het voorgaande staat vast dat de door de aanvragers beoogde bedingen uitsluitend zijn ingegeven door familiale, civielrechtelijke en vermogen beschermende overwegingen.

27. Verder is voormelde huwelijksovereenkomst en de daarin opgenomen bepalingen ook een bescherming in geval van een mogelijke echtscheiding. Voor het geval van echtscheiding (met uitzondering van de gevallen opgelijst in het ontwerp), doen ze dat via de verrekening van de aanwinsten. Deze verrekening sluiten aanvragers uit de gevraagde voorafgaande beslissing.

Gelet op het bovenstaande blijkt dat de aanvragers het optioneel toekenningsbeding niet in hun huwelijksovereenkomst wensen in te voegen op grond van fiscale motieven. Zij verzoeken dan ook te bevestigen dat er omwille van deze niet-fiscale motieven geen sprake kan zijn van fiscaal misbruik met betrekking tot deze aanvraag, die zij aan het besluitvormingsorgaan voorleggen en dat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet van toepassing is.

28. Gelet op het voorgaande verzoek ik het besluitvormingsorgaan onderhavig verzoek ontvankelijk te willen verklaren, en bij wijze van voorafgaande beslissing te willen bevestigen dat:

  • het toekenningsbeding in de huwelijksovereenkomst (en de uitwerking daarvan) niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF en geen van deze bepalingen frustreert zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is.
  • het toekenningsbeding in de huwelijksovereenkomst (en de uitwerking daarvan) geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

dat het besluit van de bevoegde entiteit geldig blijft tot en met het eerste overlijden van de echtgenoten overeenkomstig artikelen 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF en gelet op het voorwerp van de onderhavige aanvraag.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

29. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerrechtelijk vlak.

30. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt. Er kan niet worden ingegaan op een vraag tot toepassing van de erfbelasting in het algemeen.

31. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.1.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform het derde lid van het voormelde artikel.

  • Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, dat luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1° …

2° …

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF, dat luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

  • Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

  • Artikel 2.8.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.

  • Artikel 2.8.4.1.1 VCF, dat luidt als volgt:

§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:

TABEL I

verkrijging in rechte lijn en tussen partners

gedeelte van de schenking

A
schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

3

-

150.000,01

250.000

9

4500

250.000,01

450.000

18

13.500

450.000,01

27

49.500


TABEL II

tarief tussen alle andere personen

gedeelte van de schenking

A schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

10

-

150.000,01

250.000

20

15.000

250.000,01

450.000

30

35.000

450.000,01

40

95.000

§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 0 % voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan:
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;

2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;

3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;

4° een staat van de Europese Economische Ruimte;

5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;

6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5°;

7° erkende woonmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;

8° het Vlaams Woningfonds;

9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;

10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen van openbaar nut;

11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5% voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan beroepsverenigingen en private stichtingen.

In afwijking van het tweede lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld het eerste lid, 10°, of in het tweede lid, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het tweede lid, is.
Het tarief, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.

  • Artikel 2.9.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verkooprecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

De te beoordelen verrichting

32. De heer X en mevrouw Y nemen zich voor om te huwen.

Zij wensen een huwelijksovereenkomst af te sluiten waarbij zij het stelsel van scheiding van goederen aannemen met een optioneel wederkerig toekenningsbeding voor het geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden van één van de echtgenoten.

Het toekenningsbeding beoogt ten voordele van de langstlevende echtgenoot, de toekenning in volle en exclusieve eigendom van de exclusief eigen goederen van de eerstoverleden echtgenoot op het ogenblik van diens overlijden, behoudens de in de huwelijksovereenkomst uitgesloten goederen.

Het toekenningsbeding wordt optioneel geformuleerd, waardoor het slechts uitwerking krijgt indien en in de mate dat de langstlevende echtgenoot daarvoor kiest.

Partijen voorzien tevens in een passiefregeling en in zaakvervanging.

Beoordeling

1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF, 2.8.4.1.1 VCF en 2.9.1.0.1 VCF

33. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.

34. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van het in casu voorgenomen beding als geldig huwelijksvoordeel dat bovendien zakenrechtelijke werking zou hebben.

In de mate bijgevolg dat het optioneel toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeert als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Fiscaal betekent dit dat de toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.

35. In de mate dat het optioneel toekenningsbeding in casu effectief een geldig huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking is, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.

1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF?

36. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.

37. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?

38. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

39. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?

40. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

Het optioneel toekenningsbeding heeft volgens de aanvrager geen betrekking op goederen die tot een huwgemeenschap behoren, maar enkel op eigen goederen van de echtgenoten.

41. Er zal voor dit beding geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?

42. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

43. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

1.5. Mogelijke toepassing van artikel 2.8.1.0.1 VCF en artikel 2.8.4.1.1 VCF?

44. Op grond van artikel 2.8.1.0.1 VCF wordt de schenkbelasting geheven op akten en geschriften die gelden als titel van een schenking onder de levenden. Artikel 2.8.4.1.1 VCF bepaalt de tarieven voor de schenkbelasting.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

45. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.8.1.0.1 en artikel 2.8.4.1.1. VCF.

1.6. Mogelijke toepassing van artikel 2.9.1.0.1 VCF?

46. De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

Een conventionele overdracht onder bezwarende titel van onroerende goederen valt in principe onder het toepassingsgebied van de registratiebelasting. We vallen dus terug op de algemene regels inzake het verkoop- of het verdeelrecht.

47. Samengevat betekent dit concreet het volgende:

  • op de toekenning van de roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd;
  • op de toekenning van onroerende goederen aan een echtgenoot die nog geen aandeel in die onroerende goederen had, zal het verkooprecht verschuldigd zijn op grond van artikel 2.9.1.0.1 VCF.

2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

a) Algemeen

48. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

49. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt enkel en alleen vanwege fiscale motieven.

50. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke misbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp).

51. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in art. 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting), van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van art. 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

b) In casu

52. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de heer X en mevrouw Y wensen te huwen onder het stelsel van scheiding van goederen. Zij zijn sinds xx.xx.2024 wettelijk samenwonend en zij hebben samen één minderjarig kind.

Zij opteren voor een basisstelsel van scheiding van goederen gelet op hun beider professionele activiteiten teneinde elkaar te beschermen tegen mogelijke aanspraken van professionele schuldeisers van hen beide. Zij wensen ook hun autonomie inzake het beheer en de beschikking over hun eigen vermogens te behouden.

Daarnaast wensen zij te voorzien in een efficiënte en rechtszekere bescherming van de langstlevende echtgenoot, die complexiteit en conflicten bij het overlijden van één van hen vermijdt.

Elk van de aanstaande echtgenoten is thans eigenaar van verschillende roerende en onroerende goederen.

Het optioneel toekenningsbeding beoogt ten voordele van de langstlevende echtgenoot, de toekenning in volle en exclusieve eigendom van de eigen goederen van de eerstoverleden echtgenoot op het moment van diens overlijden, indien en in de mate waarin de langstlevende echtgenoot zich op het beding beroept. Volgens de gegevens van de aanvraag worden bepaalde eigen goederen uitdrukkelijk uitgesloten van het toekenningsbeding, in het bijzonder het familiaal vermogen dat mevrouw Y door schenking of erfenis heeft verkregen of nog zal verkrijgen.

53. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichting in casu geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

54. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erf- en de registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Het ontwerp van de voorgenomen huwelijksovereenkomst werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[2] Een kopie van de gecoördineerde statuten van BV B werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[3] Een kopie van het uittreksel uit de oprichtingsakte van BV C werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[4] Voetnoot van de aanvrager: Zie artikel 26 van het ontwerp van de huwelijksovereenkomst.

[5] Het toekenningsbeding zoals opgenomen in artikel 26 van het ontwerp van de huwelijksovereenkomst, luidt als volgt: […]

[6] Voetnoot van de aanvrager: Cass. 24 maart 2017, www.cass.be.; H. CASMAN en A. VERBEKE, Huwelijksvoordelen in een stelsel van scheiding van goederen, Mortsel, Intersentia, 2022, 109.

[7] Voetnoot van de aanvrager: GwH 23 november 2005, nr. 170/2005.

[8] Voetnoot van de aanvrager: H. CASMAN en A. VERBEKE, Huwelijksvoordelen in een stelsel van scheiding van goederen, Mortsel, Intersentia, 2022, 104.

[9] Voetnoot van de aanvrager: Bevestigd in het arrest van het Hof van Cassatie dd. 9 juli 1931.

[10] Voetnoot van de aanvrager: Bevestigd in VB 25105 van 24 oktober 2025, VB 25103 van 24 oktober 2025, VB 25081 van 8 september 2025, VB 25080 van 11 augustus 2025 en VB 25062 van 11 augustus 2025.

[11] Voetnoot van de aanvrager: Bevestigd in VB 25105 van 24 oktober 2025, VB 25103 van 24 oktober 2025, VB 25081 van 8 september 2025, VB 25080 van 11 augustus 2025 en VB 25062 van 11 augustus 2025.

[12] Voetnoot van de aanvrager: Bevestigd in o.m. VB 25105 van 24 oktober 2025, VB 25103 van 24 oktober 2025, VB 25081 van 8 september 2025, VB 25080 van 11 augustus 2025 en VB 25062 van 11 augustus 2025; H. CASMAN en A. VERBEKE, Huwelijksvoordelen in een stelsel van scheiding van goederen, Mortsel, Intersentia, 2022, 104.

[13] Voetnoot van de aanvrager: Bevestigd in VB 25105 van 24 oktober 2025, VB 25103 van 24 oktober 2025, VB 25081 van 8 september 2025, VB 25080 van 11 augustus 2025 en VB 25062 van 11 augustus 2025.

[14] Voetnoot van de aanvrager: Bevestigd in VB 25105 van 24 oktober 2025, VB 25103 van 24 oktober 2025, VB 25081 van 8 september 2025, VB 25080 van 11 augustus 2025 en VB 25062 van 11 augustus 2025.