Gedaan met laden. U bevindt zich op: Leerlingenkenmerken Onderwijs en vorming

Leerlingenkenmerken

Gepubliceerd op 22 januari 2026 • Volgende update: januari 2027
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden

In het schooljaar 2024-2025 ontving 40% van de leerlingen in het gewoon kleuteronderwijs een . Daarnaast had 29% van de kleuters een en woonde 26% in een . 19% had een . Het gaat om de 4 zogenaamde ‘leerlingenkenmerken’ die het sociale profiel van een school bepalen.

In het gewoon lager onderwijs ontving 42% een schooltoeslag, 28% had een niet-Nederlandse thuistaal en 25% woonde in een buurt met een hoge mate van schoolse vertraging. 20% van de leerlingen had een laagopgeleide moeder.

Per buurt wordt elk schooljaar het aandeel leerlingen met schoolse vertraging berekend. De 25% leerlingen (alle onderwijsniveaus samen) die wonen in de buurten met de hoogste schoolse vertraging tellen voor dat schooljaar mee voor de buurtindicator. Vergelijkingen in de tijd hebben voor die buurtindicator dus weinig zin, maar vergelijkingen tussen onderwijsvormen zijn wel zinvol.

Het aandeel leerlingen met thuistaal niet-Nederlands lag in de meest recente schooljaren hoger dan in het schooljaar 2014-2015. Het percentage stijgt in het gewoon lager onderwijs jaarlijks met ongeveer één procentpunt. Bij de andere leerlingenkenmerken is de evolutie minder uitgesproken of is ze te wijten aan een verandering van de indicator, zoals in het geval van de omvorming van schooltoelage tot schooltoeslag.
De schooltoeslag vervangt sinds het schooljaar 2019-2020 de schooltoelage en maakt deel uit van het nieuwe Groeipakket. Bij de omvorming naar de schooltoeslag werden de selectiecriteria verruimd en de toekenningsprocedure aangepast. Daardoor ligt het aantal leerlingen dat een schooltoeslag krijgt aanzienlijk hoger dan het aantal leerlingen met een schooltoelage. Het aandeel leerlingen met schooltoeslag is in 2024-2025 ook toegenomen in vergelijking met de voorgaande schooljaren.

Ruim 4 op 10 leerlingen in voltijds secundair ontvangen schooltoeslag

In het schooljaar 2024-2025 ontving 42% van de leerlingen in het voltijds gewoon secundair onderwijs een schooltoeslag. 25% woonde in een buurt met een hoge mate van schoolse vertraging. Daarnaast had 23% een niet-Nederlandse thuistaal en 22% een laagopgeleide moeder.

Het aandeel leerlingen met thuistaal niet-Nederlands in het secundair onderwijs stijgt sinds schooljaar 2014-2015 met ongeveer één procentpunt per jaar. Ook het aandeel dat een schooltoeslag ontvangt is de jongste jaren gestegen. Het aandeel met een laagopgeleide moeder is de laatste drie jaar vrij stabiel gebleven.

Leerlingen in onthaalklas anderstalige nieuwkomers en bso tikken vaakst aan

Leerlingen in de onthaalklas anderstalige nieuwkomers en in het beroepssecundair onderwijs (bso) tikken in het voltijds gewoon secundair onderwijs het vaakst aan op de leerlingenkenmerken. In de onthaalklas ligt het percentage dat een schooltoeslag ontvangt in vergelijking met bso wel relatief laag.

In de onthaalklas ligt het aandeel leerlingen met een laagopgeleide moeder 6 keer hoger dan in het algemeen secundair onderwijs (aso) en ligt het aandeel leerlingen dat woont in een buurt met een hoge mate van schoolse vertraging ruim 2 keer hoger.

In het bso ligt het aandeel leerlingen met een laagopgeleide moeder ruim 4 keer hoger dan in het aso. Het aandeel leerlingen met een schooltoeslag ligt er ruim 2 keer hoger dan in het aso. Het aandeel leerlingen met een niet-Nederlandse thuistaal is – buiten de onthaalklas - het hoogst in het bso. Het bedraagt er 30%.

Leerlingen uit Brussels Gewest tikken vaker aan dan leerlingen uit Vlaams Gewest

Leerlingen die wonen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest tikken vaker aan op de leerlingenkenmerken dan leerlingen die wonen in het Vlaamse Gewest. Dat geldt voor alle leerlingenkenmerken en voor alle onderwijsniveaus. Het gaat hier voor beide gewesten enkel om leerlingen ingeschreven in het Nederlandstalige onderwijs.