Vroegtijdige schoolverlaters (op basis van administratieve data)
Grote verschillen tussen de onderwijsvormen
In het schooljaar 2023-2024 verliet in het algemeen secundair onderwijs (aso) 2,8% van de leerlingen vroegtijdig de schoolbanken, in het technisch secundair onderwijs (tso) 8,6%. In het kunstsecundair onderwijs (kso) en het beroepssecundair onderwijs (bso) ging het om respectievelijk 11,1% en 25,7%. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs (dbso) verliet 38,0% van de jongeren het onderwijs vroegtijdig.
Verschillen in vroegtijdig schoolverlaten binnen bso
Binnen het bso zijn er duidelijke verschillen naargelang de leerweg en de aanbieder. In het schooljaar 2023-2024 verliet 21,1% van de leerlingen in het niet-duaal bso het onderwijs vroegtijdig (3.310 leerlingen). In het duaal bso lag dat aandeel hoger, namelijk 27,5%, maar in absolute aantallen ging het om minder leerlingen (365).
De verschillen tussen de aanbieders duaal leren zijn groot. In de scholen voor voltijds gewoon onderwijs verliet 13,9% van de leerlingen in duaal bso voortijdig de schoolbanken, tegenover 29,1% in de Centra voor Deeltijds Onderwijs (CDO’s) en 32,3% in de Syntra campussen.
In de aanloopfase duaal leren verlieten in schooljaar 2023-2024 1.061 leerlingen het onderwijs vroegtijdig, de meeste van hen vanuit de Centra voor Deeltijds Onderwijs.
Vroegtijdig schoolverlaten sterk gelinkt aan schoolse achterstand
Slechts 1,5% van de jongeren zonder schoolse achterstand verliet in 2023-2024 de schoolbanken zonder diploma. Het feit dat jongeren in ons land tot 18 jaar leerplichtig zijn, speelt hierin een belangrijke rol. Op die leeftijd zitten normaal vorderende jongeren in hun laatste jaar of hebben ze hun laatste jaar al afgerond.
Bij jongeren met 1 jaar schoolse achterstand verliet 19,8% vroegtijdig de schoolbanken. De kans op vroegtijdig schoolverlaten neemt sterk toe met elk bijkomend jaar schoolse achterstand. 2 op 3 (66,4%) van de jongeren met meer dan 2 jaar schoolse achterstand verliet het onderwijs zonder voldoende kwalificaties.
Meer jongens dan meisjes verlaten vroegtijdig de schoolbanken
14,7% van de jongens verliet in 2023-2024 vroegtijdig de schoolbanken tegenover 9,5% van de meisjes.
Grote verschillen naar thuistaal en opleidingsniveau moeder
Bij jongeren die thuis met geen enkel gezinslid Nederlands spreken, lag de kans op vroegtijdig schoolverlaten in 2023-2024 meer dan 3 keer hoger dan bij jongeren die thuis uitsluitend Nederlands spreken (respectievelijk 24,7% en 7,0%).
De verschillen naargelang het opleidingsniveau van de moeder zijn ook zeer groot. Bij jongeren waarvan de moeder een diploma hoger onderwijs heeft, verliet 4,8% vroegtijdig de schoolbanken. Bij jongeren waarvan de moeder het lager onderwijs niet heeft afgewerkt, liep dat op tot 32,1%.
Bijna één op vijf jongeren in centrumsteden verlaat vroegtijdig de schoolbanken
In het schooljaar 2023-2024 verlieten 17,8% van de jongeren die in de centrumsteden of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wonen vroegtijdig de schoolbanken. In Roeselare (10,5%), Hasselt (10,8%), Brugge (11,4%) en Leuven (11,9%) lag het percentage onder het Vlaams gemiddelde (12,2%).
In Antwerpen (21,6%), het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (21,3%) en Oostende (21,1%) liepen die percentages op tot meer dan 20%. In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest hebben de cijfers enkel betrekking op de leerlingen in het Nederlandstalig onderwijs.
De verschillen tussen de steden vallen voor een groot stuk samen met verschillen in de leerlingenpopulatie. Een centrumstad als Antwerpen en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest hebben grotere aandelen leerlingen met een kansarm profiel.
Aandeel vroegtijdige schoolverlaters buiten centrumsteden op 10%
In de niet-centrumsteden bedroeg het percentage vroegtijdige schoolverlaters in 2023-2024 gemiddeld 10,1%. Van de gemeenten met minstens 30 vroegtijdige schoolverlaters zijn er buiten de centrumsteden en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest 11 Vlaamse gemeenten met een percentage van 15% en hoger: Boom (23,1%), Sint-Pieters-Leeuw (21,4%), Hemiksem (19,9%), Vilvoorde (18,9%), Tienen (18,2%), Willebroek (17,0%), Heusden-Zolder (16,8%), Maasmechelen (16,3%), Mol (16,3%), Eeklo (15,2%) en Ninove (15,0%).
Bronnen
- Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming:
- Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming: