VB 25118 - Kanscontract/ beding van aanwas tussen echtgenoten - roerende goederen
- Nummer
25118
- Datum beslissing
1 december 2025
- Publicatiedatum
19 januari 2026
Heffing
- Erfbelasting
- Schenkbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.1.0.1. VCF
- art. 2.7.1.0.2. VCF
- art. 2.7.1.0.3. VCF
- art. 2.7.1.0.5. VCF
- art. 2.8.1.0.1. VCF
- art. 2.8.4.1.1. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te verkrijgen dat de voorgelegde overeenkomst van optioneel beding van aanwas die is gesloten tussen de echtgenoten X - Y op xx.xx.2025 rechtsgeldig is en kwalificeert als een kanscontract onder bijzondere en bezwarende titel en dat – op het ogenblik van de eventuele aanbieding ter registratie – de artikelen 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF niet van toepassing zullen zijn zodanig dat er geen schenkbelasting zal verschuldigd zijn, alsook dat de artikelen 2.7.1.0.1 VCF, 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, lid 1, 3° VCF en 2.7.1.0.5 VCF noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks via de algemene antimisbruikbepaling opgenomen in artikel 3.17.0.0.2 VCF, van toepassing zullen zijn bij het overlijden van een echtgenoot zodat er geen erfbelasting verschuldigd zal zijn.
2. De echtgenoten X – Y vragen dat de geldigheid van de voorafgaande beslissing zich in de tijd zou uitstrekken tot aan het overlijden van één van de echtgenoten voor zover de voorgenomen verrichten worden gesteld binnen een termijn van 5 jaar vanaf de beslissing.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II. A. Identiteit van de aanvrager en de partijen en achtergrond voor de voorgenomen verrichting
3. De aanvraag wordt ingediend door […] te […], namens:
3.1. Mevrouw X, van Belgische nationaliteit, geboren te […], op xx.xx.1958, met rijksregisternummer […], (hierna verder genoemd ‘X’) wonende te […] en haar echtgenote;
3.2. Mevrouw Y, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1961, met rijksregisternummer […], wonende te […].
4. De Aanvragers zijn echtgenoten. Zij zijn reeds meer dan 20 jaar gehuwd, meer dan 14 jaar onder het Belgisch stelsel van scheiding van goederen. De Aanvragers hebben recent de bepalingen van hun huwelijksovereenkomst een update gegeven, waarbij zij het stelsel van scheiding van goederen behouden hebben.
5. De Aanvragers hebben geen kinderen.
6. De Aanvragers hebben beiden de Belgische nationaliteit en hebben hun (fiscale) woonplaats sedert meer dan 5 jaar in het Vlaams Gewest.
II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
7. De Aanvragers sloten op xx.xx.2025 een optioneel beding van aanwas (zie bijlage 3 bij de aanvraag; hierna ‘beding van aanwas’). Het voorwerp van het beding van aanwas betreft de volgende onverdeelde roerende goederen die op het ogenblik van het overlijden van één van de Aanvragers tussen hen, in gelijke verhouding van 50/50 gerechtigd, in onverdeeldheid zijn:
- 1de onverdeelde gelden waarin ze gelijkgerechtigd zijn, die op het ogenblik van het overlijden zijn geboekt op bankrekeningen van X en Y, op hun beider namen;
- de onverdeelde deelnemingen in beleggingsfondsen en effectenportefeuilles waarin ze gelijkgerechtigd zijn, die op het ogenblik van het overlijden zijn geboekt op hun beider namen;
- de onverdeelde aandelen op naam waarop ze gelijkgerechtigd zijn, die ze op het ogenblik van het overlijden bezitten;
- de onverdeelde antieke en vintage meubelen, waarop ze gelijkgerechtigd zijn, die zij beiden op het ogenblik van het overlijden bezitten;
- de onverdeelde goudstukken en voorwerpen van goud, waarop ze gelijkgerechtigd zijn, die zij beiden op het ogenblik van het overlijden bezitten;
- de onverdeelde kunstvoorwerpen (waaronder maar niet beperkt tot schilderijen, beeldhouwwerken, unieke voorwerpen van keramiek, gravures, enzovoort) waarop ze gelijkgerechtigd zijn, die zij beiden op het ogenblik van het overlijden bezitten;
- de onverdeelde schuldvorderingen waarop ze gelijkgerechtigd zijn, en die zij hebben op de private stichtingen die zij gezamenlijk hebben opgericht.
8. Iedere Aanvrager heeft bepaald dat bij haar overlijden haar onverdeeld aandeel van bovenvermelde goederen bij wijze van kanscontract onder bezwarende titel in volle eigendom toekomt aan de andere Aanvrager conform de voorwaarden en modaliteiten verder bepaald in het beding van aanwas (zie bijlage 3 bij de aanvraag).
III. Motivering van de aanvraag
3.1 Motivering van de verrichtingen
3.1.1 Algemene motivering
9. Een beding van aanwas betreft een kanscontract ten bezwarende titel dat wordt afgesloten tussen twee contractanten met betrekking tot één of meerdere goederen, overeenkomstig artikel 5.8 Burgerlijk Wetboek. De beoordeling hiervan gebeurt op basis van de feiten op het ogenblik van het afsluiten van het contract.
10. Een beding van aanwas heeft een wederkerig karakter. Beide contractanten zullen gezamenlijk tot een besluitvorming moeten komen teneinde hun rechten van beheer en beschikking uit te oefenen. Een wijziging, noch opzegging kan bijgevolg eenzijdig geschieden.
Het zich al dan niet voordoen van de aanwas is verbonden aan de onzekere gebeurtenis van het tijdstip van overlijden van een contractant. De onzekerheid van tijdstip en identiteit van de eerstoverleden contractant maakt dat beide partijen eenzelfde kans hebben op de aanwas van een vermogensbestanddeel.
11. De kwalificatie “kanscontract” tussen de aanvragers wordt in casu aangetoond door de gelijke inbreng, de gelijke overlevingskans en de afwezigheid van een einddatum.
Het beding van aanwas moet volgens het standpunt nr. 17044 van uw Dienst:
(1) opgenomen zijn in een authentieke akte als het beding betrekking heeft op onroerende goederen (wat in deze aanvraag niet het geval is);
(2) beperkt zijn, via beschikking onder bijzondere titel; en
(3) ten bezwarende titel zijn.
In casu voldoet het beding van aanwas aan alle toepasselijke voorwaarden, zoals uiteengezet in het standpunt nr. 17044 van uw Dienst, zodat het moet worden beschouwd als een kanscontract ten bezwarende titel. Dit wordt hieronder nader toegelicht.
3.1.2 Bijzondere motivering
A. Ten bijzondere titel
12. Het optioneel beding van aanwas is onder bijzondere titel aangezien het contract, overeenkomstig het standpunt nr. 17044 en de omschrijving in artikel 4.243 van het Burgerlijk Wetboek, “niet de algemeenheid van de goederen betreft die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, en evenmin een evenredig deel van de goederen die de partij zal nalaten, noch al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een evenredig deel van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden".
In casu heeft het optioneel beding van aanwas enkel betrekking op een duidelijk afgelijnd geheel van goederen, voor zover deze goederen op het ogenblik van het overlijden van één van de Aanvragers tussen hen in onverdeeldheid zijn. Het betreft echter niet alle roerende en/of onroerende goederen van de Aanvragers, noch een evenredig deel hiervan.
Het voorwerp slaat op de vermelde onverdeelde goederen of categorieën van goederen, waarvan een echtgenote onverdeelde eigenaar is op het moment van haar overlijden en die in gelijkgerechtigde onverdeeld is met haar echtgenote. De regeling geldt louter voor de onverdeelde goederen of categorieën van goederen die in het aanwasbeding worden gespecifieerd voor zover deze onverdeelde goederen op het ogenblik van het overlijden van de vooroverleden echtgenote natura in haar vermogen aanwezig zijn.
De beoordeling van welke onverdeelde goederen aan de langstlevende toekomen, gebeurt dan ook op het moment van overlijden van de eerstoverleden echtgenoot.
De echtgenoten bezitten op vandaag reeds diverse onverdeelde goederen die hieronder kwalificeren, mocht één van hen vandaag komen te overlijden. Tevens kunnen ook toekomstige goederen die door beide echtgenoten (gelijkgerechtigd) in onverdeeldheid worden verworven, onder dit beding van aanwas vallen.
Voor de civielrechtelijke geldigheid van het beding van aanwas is het niet vereist dat het uitsluitend betrekking heeft op goederen die reeds in het vermogen van één van de partijen aanwezig zijn bij het sluiten van het contract. Ook toekomstige goederen kunnen het voorwerp van een prestatie uitmaken (art. 5.50 BW). De prestatie kan erin bestaan iets te doen of iets niet te doen, iets te geven of iets te garanderen (art. 5.46 BW), waarbij ‘geven’ hier verwijst naar de overdracht van eigendomsrecht.
In het kader van de beoordeling van de voorwaarde van de gelijkwaardigheid van de inleg geldt nog het volgende: aangezien het beding van aanwas uitsluitend betrekking heeft op onverdeelde goederen die in gelijke verhouding worden gehouden, kan het ook betrekking hebben op toekomstige, gezamenlijk verworven goederen, voor zover de echtgenoten er nog onverdeeld en in gelijke verhouding in gerechtigd zijn op het ogenblik dat één van hen overlijdt.
Uw Dienst kan aldus de gelijkwaardigheid op het moment waarop de vraag wordt gesteld dan ook beoordelen.
B. Ten bezwarende titel
13. Het beding van aanwas dat de Aanvragers hebben gesloten kwalificeert als een kanscontract onder bezwarende titel. Het bezwarend karakter vereist dat de kansen van de Aanvragers evenwichtig zijn, en dat de inleg door beiden gelijk is.
Vooreerst is de inleg van Aanvragers volstrekt gelijk. De Aanvragers waren oorspronkelijk gehuwd onder het stelsel van algehele gemeenschap van goederen. Zij zijn in 2010 overgestapt naar het stelsel van zuivere scheiding van goederen. Sedertdien bezitten zij het vermogen dat voordien deel uitmaakte van de algehele gemeenschap, gezamenlijk in onverdeeldheid, elk voor de onverdeelde helft. Bovendien wordt in het beding van aanwas telkens uitdrukkelijk vermeld dat de Aanvragers op het moment van overlijden van één van hen volledig gelijkgerechtigd zijn in de onverdeelde roerende goederen die het voorwerp van het beding van aanwas vormen.
In artikel 8 van hun huwelijksovereenkomst hebben de Aanvragers uitdrukkelijk bepaald dat bepaalde goederen, ongeacht de oorsprong of wijze van verwerving, onweerlegbaar geacht worden in onverdeeldheid toe te behoren aan beide echtgenoten, elk voor een gelijk deel. Deze bepaling werd opgenomen met het oog op het creëren van rechtszekerheid binnen hun vermogensrechtelijke verhouding en weerspiegelt hun gemeenschappelijke intentie om een evenwichtige en transparante regeling te treffen omtrent het eigendomsstatuut van deze goederen. Bijgevolg staat het voor deze goederen vast dat de inbreng van elk van de Aanvragers gelijk is.
Daarnaast zijn ook de kansen evenwichtig. De Aanvragers hebben een gelijkaardige levensverwachting, zo blijkt ook uit de medische attesten die wij aan uw Dienst voorleggen (zie bijlagen 5 en 6 bij de aanvraag).
Hun leeftijdsverschil bedraagt 3 jaar. Conform verschillende voorafgaande beslissingen van uw instantie kan er in casu met een beperkt leeftijdsverschil van 3 jaar besloten worden tot een gelijkaardige levensverwachting op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst.[1] Bovendien schatte iedere Aanvrager bij sluiting van het beding van aanwas de kans om de langstlevende te zijn gelijk in. Daarnaast werden door uw Dienst reeds grotere leeftijdsverschillen aanvaard, gaande tot 15 jaar.[2] Deze grote leeftijdsverschillen betreffen bovendien ook een leeftijdsverschil tussen man en vrouw, waarbij de man de oudste is en een lagere levensverwachting heeft dan de vrouw. Aanvragers zijn beide vrouwen, waardoor de levensverwachting hoger ligt en hun kansen zodoende evenwichtig zijn.
3.2 Fiscale kwalificatie van het beding van aanwas
3.2.1 Algemeen: de civiele kwalificatie van het beding van aanwas onder bijzondere en onder bezwarende titel werkt ook fiscaal door.
14. Zoals hierboven uiteengezet (titel 3.1), kwalificeert het beding van aanwas vanuit civiel oogpunt als een kanscontract.
15. Uit de uiteengezette feiten (o.m. de nauwe band tussen de Aanvragers, het beperkt leeftijdsverschil tussen de Aanvragers, de gelijkwaardige levensverwachting van de Aanvragers en de gelijkwaardige inleg door de Aanvragers) blijkt de bedoeling van de Aanvragers om een evenwichtig kanscontract onder bijzondere en bezwarende titel te sluiten. Het beding van aanwas is daarom ook vanuit fiscaal oogpunt te beschouwen als onder bijzondere en bezwarende titel, zodat het sluiten van het beding van aanwas, alsook de uitwerking ervan niet belast is met schenkbelasting, noch met erfbelasting.
3.2.2 Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2, eerste volzin VCF
16. Artikel 2.7.1.0.2, eerste volzin VCF belast verkrijgingen ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
17. Het beding van aanwas is optioneel. De uitoefening van het keuzerecht, en de uitwerking van het beding van aanwas, zal terugwerken tot op het moment van overlijden van de eerststervende en onmiddellijk voorafgaand aan het openvallen van de nalatenschap (artikel 3 van het beding van aanwas).
Dergelijke verkrijging is zoals hoger toegelicht een verkrijging onder bezwarende titel, zodat er geen sprake kan zijn van een verkrijging ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
De Aanvragers verzoeken u te bevestigen dat artikel 2.7.1.0.2 VCF op de verrichtingen niet zal worden toegepast.
3.2.3 Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF
18. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF worden de schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker belast met erfbelasting. Het beding van aanwas is een kanscontract en bijgevolg een overeenkomst ten bezwarende titel. Omdat er geen schenking voorligt, kan voormeld artikel niet toegepast worden bij overlijden van de eerststervende Aanvrager.
19. De Aanvragers verzoeken u te bevestigen dat artikel 2.7.1.0.3,3° VCF op de verrichtingen niet zal worden toegepast.
3.2.4 Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF
20. Voor de heffing van erfbelasting op grond van artikel 2.7.1.0.5. VCF, moeten drie voorwaarden cumulatief vervuld zijn, te weten:
- een kosteloze beschikking door de erflater;
- gedurende vijf jaar voorafgaand aan het overlijden van de erflater;
- waardoor er een bevoordeling ontstaat die niet onderworpen werd aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden.
21. Omwille van de kwalificatie van het beding van aanwas als kanscontract en als een contract onder bezwarende titel zoals hoger toegelicht, is er in casu geen sprake van een kosteloze beschikking, zodat artikel 2.7.1.0.5 VCF niet van toepassing is.
22. De Aanvragers verzoeken u te bevestigen dat artikel 2.7.1.0.5 VCF op de verrichtingen niet zal worden toegepast.
3.2.5 Geen toepassing van de artikelen 2.8.1.0.1. VCF, 2.8.4.1.1, § 2 VCF en 2.8.7.0.2. VCF.
23. Op grond van artikel 2.8.1.0.1. VCF wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.
24. Zoals hoger toegelicht, is het beding van aanwas een kanscontract en een contract onder bezwarende titel, zodat er geen sprake van een schenking onder de levenden tussen de Aanvragers.
25. De Aanvragers verzoeken u te bevestigen dat de artikelen 2.8.1.0.1. VCF, 2.8.4.1.1, § 2 VCF en 2.8.7.0.2. VCF op de verrichtingen niet zal worden toegepast, noch op moment van de eventuele registratie van het beding van aanwas noch op moment van uitwerking van het beding van aanwas.
3.2.5. Geen toepassing van artikel 3.17.0.0.2. VCF
A. Temporeel toepassingsgebied
26. Op 1 juni 2012 trad de antimisbruikbepaling op federaal niveau in werking op vlak van registratie- en successierechten. De antimisbruikbepaling is slechts van toepassing op rechtshandelingen of het geheel van rechtshandelingen (die eenzelfde verrichting tot stand brengen) die zijn gesteld sinds 1 juni 2012.
27. Met ingang van 1 januari 2015 werd de antimisbruikbepaling, zoals van toepassing in het Vlaams Gewest, geïntegreerd in artikel 3.17.0.0.2 van de VCF, weliswaar zonder inhoudelijke wijziging. Uw Dienst bevestigde eveneens dat de antimisbruikbepaling enkel van toepassing is op handelingen gesteld vanaf 1 juni 2012. In principe is de antimisbruikbepaling dus niet van toepassing wanneer de betrokken rechtshandeling of één van die rechtshandelingen heeft plaatsgevonden vóór 1 juni 2012.
28. De rechtspraak heeft dergelijk standpunt (in laatste aanleg) echter reeds meerdere keren verworpen. Een dergelijk standpunt vindt immers geen steun in de wettekst, die ondubbelzinnig en duidelijk is opgesteld. Dit laatste werd recent zelfs nog meerdere keren door het Hof van Cassatie bevestigd, waarbij het traditionele standpunt van de Federale Administratie wordt verworpen.
29. Volgens de vigerende rechtspraak is de antimisbruikbepaling slechts van toepassing op een verrichting die bestaat uit een geheel van afzonderlijke rechtshandelingen, indien al die rechtshandelingen hebben plaatsgevonden na de inwerkingtreding van deze bepaling.
30. In casu werd de overgang naar het huwelijksstelsel van scheiding van goederen door de Aanvragers geruime tijd vóór 1 juni 2012 voltrokken. Vermits de overgang naar het huwelijksstelsel van scheiding van goederen en het afsluiten van het beding van aanwas als een geheel van verrichtingen beschouwd kan worden, valt dit geheel van verrichtingen aldus buiten het temporeel toepassingsgebied van de antimisbruikbepaling. De Aanvragers gaan er dan ook van uit dat uw Dienst deze laatste rechtspraak zal volgen als de enige correcte wetsinterpretatie.
B. Materieel toepassingsgebied
31. De verrichting frustreert de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.2. VCF niet omdat de verkrijging op grond van het beding van aanwas niet kwalificeert als een verkrijging op grond van de wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
32. De verrichting frustreert de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet, omdat de Aanvragers geen schenking van roerende goederen ten voordele van elkaar en met uitwerking bij overlijden van één van hen beogen. De verrichting betreft een kanscontract ten bezwarende titel, zoals in deze aanvraag uitvoerig toegelicht. Daarom frustreert deze verrichting noch art. 2.7.1.0.5 VCF, dat enkel kosteloze beschikkingen beoogt, noch de artikelen 2.8.1.0.1 VCF, 2.8.4.1.1, §2 VCF en 2.8.7.0.2. VCF, dewelke schenkingen onder de levenden viseren.
C. Niet-fiscale motieven
33. De Aanvragers zien niet in op welke wijze de rechtshandelingen de doelstelling en bijgevolg de toepassing van enige fiscale bepaling zouden frustreren, waarbij overigens het bewijs door uw Dienst dient te worden aangetoond. Onderhavig beding van aanwas is ingegeven vanuit sterke niet-fiscale motieven, welke de Aanvragers hieronder uiteen te zetten en die de keuze voor de rechtshandelingen verantwoorden.
34. Het beding van aanwas sluit immers aan bij de huidige situatie en wensen van de Aanvragers, dat doorheen de jaren is geëvolueerd o.a. door maatschappelijke ontwikkelingen. De Aanvragers zijn al meer dan 33 jaar een koppel. Hun samenlevingsovereenkomst dateert van xx.xx.1997. Sedert de wet van 13 februari 2003 is het mogelijk voor koppels van hetzelfde geslacht om in het huwelijk te treden, wat de Aanvragers na de inwerkingtreding van deze wet dan ook deden. Zij kozen toen in 2004 voor het stelsel van algehele gemeenschap.
35. In 2010 wensten de Aanvragers hun huwelijksvermogensrechtelijke afspraken te herzien. Zij wilden de langstlevende onder hen meer flexibiliteit bieden bij overlijden van de eerstoverledene onder hen. Hiertoe wijzigden zij hun stelsel en kozen zij voor een finaal verrekenbeding. De verrekenmassa bestond uit alle goederen van de Aanvragers, zowel hun niet-onverdeelde goederen als hun aandeel in in enige onverdeeldheid of gemeenschap. De langstlevende zou zodoende zelf kunnen kiezen welke goederen haar toekomen op grond van hun huwelijksovereenkomst.
36. Op heden wensen de Aanvragers de langstlevende onder hen nog steeds maximaal te beschermen. Vanuit civiel (en praktisch) oogpunt biedt het beding van aanwas een voordeel op het finaal verrekenbeding. Voor de werking van het finaal verrekenbeding moet enerzijds de omvang, samenstelling en de nettowaarde van de verrekenmassa worden vastgesteld in onderling overleg tussen de langstlevende echtgenoot en de rechtsopvolgers van de overleden echtgenote, en bij ontstentenis van akkoord, door een deskundige. De beslissing over de omvang, samenstelling en de nettowaarde van de verrekenmassa, moet vastgesteld worden in een notariële akte. Vervolgens moeten de rechtsopvolgers van de overleden echtgenoot tot betaling overgaan, hetzij in geld, hetzij door afstand van goederen aan de langstlevende. Het is voor de schuldenaars van de verrekenschuld bovendien mogelijk om de schuld in (maximaal vijf) schijven te voldoen, en dat is niet in het belang van de langstlevende echtgenoot die in een korte tijdspanne na het overlijden in natura over het onverdeeld aandeel van de goederen wil beschikken. De Aanvragers ervaren de berekening en uitwerking van het finaal verrekenbeding als onnodig complex.
37. Met een verrekenbeding verkrijgt de langstlevende echtgenoot bovendien slechts een verbintenisrechtelijke vordering op de nalatenschap van de eerststervende. Een beding van aanwas biedt daarentegen een vermogensrechtelijke bescherming in natura, en met name het recht op de goederen zelf. De bedoeling is immers dat de goederen vermeld onder randnummer 9, onmiddellijk, in volle en exclusieve eigendom aan de langstlevende toekomen. Ingevolge het beding van aanwas hebben de erfgenamen (andere dan de langstlevende) dan ook geen enkele zakenrechtelijke alsook geen verbintenisrechtelijke aanspraak m.b.t. deze goederen, vermits deze volledig aan de langstlevende toekomen. De Aanvragers wensen namelijk dat de langstlevende bij overlijden van de vooroverleden echtgenoot een zakelijk recht verkrijgt op het aandeel van de vooroverleden echtgenoot, i.p.v. slechts een verbintenisrechtelijke aanspraak.
38. Het zakelijk recht dat door het beding van aanwas bewerkstelligd wordt, sluit nauwer aan bij de wensen van de Aanvragers met betrekking tot de bescherming van de langstlevende. Zoals hierboven reeds uiteengezet, vergt een beding van aanwas geen betaling van de rechtsopvolgers. Aanvragers wensen elkaar te beschermen tegen de mogelijke aanspraken van ieders familie (voornamelijk de ascendenten en zijverwanten). De eventuele samenloop met andere erfgenamen wordt door de Aanvragers als onwenselijk beschouwd.
39. Uw Dienst zou kunnen argumenteren dat een contractuele erfstelling in hun huwelijksovereenkomst ook aan bovenstaande wensen tegemoetkomt. Een contractuele erfstelling biedt echter niet dezelfde flexibiliteit voor de langstlevende Aanvrager. Door een optioneel beding van aanwas kan de langstlevende Aanvrager op het ogenblik van overlijden zelf nog beslissen of zij wenst dat de goederen bij haar aandeel aanwassen dan welk met betrekking tot welke goederen zij dit wenst. Een contractuele erfstelling kan na het overlijden van de beschikker wel door de begiftigde worden aanvaard (ook onder voorrecht van boedelbeschrijving) of verworpen, maar de begiftigde kan niet de optie worden verleend voor een gedeeltelijke aanvaarding, noch voor een aanvaarding beperkt tot bepaalde goederen.
40. De Aanvragers wensen bovendien op vandaag zekerheid te bekomen dat de specifiek omschreven roerende goederen die het voorwerp vormen van hun beding van aanwas naar de langstlevende onder hen zullen gaan, zonder dat zij de intentie hebben om elkaar te begiftigen. Deze doelstellingen kunnen niet op een andere wijze, m.n. bij wijze van testament of schenking tussen echtgenoten, dan met een beding van aanwas bereikt worden. Zowel een testament als een schenking tussen echtgenoten (buiten de huwelijksovereenkomst) is eenzijdig herroepbaar. Dit eenzijdig herroepbaar karakter is door de Aanvragers niet gewenst. Deze zekerheid kan bijgevolg bekomen door middel van een beding van aanwas, enkel wijzigbaar is mits toestemming van beide Aanvragers.
41. Het opnemen van een ontbindende voorwaarde van echtscheiding, feitelijke scheiding of einde van de relatie in een beding van aanwas staat daaraan bovendien niet in de weg. De geldigheid van een dergelijke ontbindende voorwaarde wordt immers op heden uitdrukkelijk aanvaard ingevolge rechtspraak van het Hof van Cassatie, alsook ingevolge wettelijke verankering. Hoewel cliënten wel een ontbindende voorwaarde inschrijven bij echtscheiding, wordt via het beding van aanwas de (dagelijkse) onzekerheid vermeden over een eventuele herroeping van de schenking.
42. Aanvragers verwijzen ten slotte nog naar enkele Voorafgaande Beslissingen waarvan de feiten en/of de (civiele) motivering enigszins vergelijkbaar zijn met de situatie van de Aanvragers:
Zo heeft uw Dienst in Voorafgaande beslissing nr. 22005 (dd. 28 maart 2022) en Voorafgaande Beslissing nr. 21016 (dd. 29 maart 2021) telkens aanvaard dat het bestaan van een verrekenbeding geen beletsel vormt voor het afsluiten van een beding van aanwas met betrekking tot roerende goederen. De aanvragers wezen daarbij op de nadelen van het verbintenisrechtelijke karakter van het verrekenbeding dat, anders dan bij een beding van aanwas, geen zakenrechtelijke werking heeft.
In een andere Voorafgaande Beslissing, met name nr. 21031 (dd. 26 april 2021), was een echtpaar, net zoals in casu, gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen met een optioneel finaal verrekenbeding. Zij wensten een verblijvingsbeding toe te voegen aan hun huwelijkscontract met betrekking tot onverdeelde goederen. De aanvragers halen aan dat zij de werking van het optioneel finaal verrekenbeding te complex vinden in de uitwerking en de onmiddellijke en zakelijke werking van het verblijvingsbeding verkiezen. Dit biedt namelijk een betere bescherming aan de langstlevende, waarbij deze vanaf het overlijden de volle eigendom verwerft van de goederen die haar in natura toekomen, aldus de aanvragers, hetgeen in casu eveneens gewenst is. Dit werd eveneens door uw Dienst aanvaard en bovendien niet aanzien als fiscaal misbruik.
43. De verrichting frustreert aldus noch een specifieke antimisbruikbepaling, noch de algemene antimisbruikbepaling. Artikel 3.17.0.0.2 VCF kan daarom niet op het beding van aanwas toegepast worden. De Aanvragers verzoeken om dit te bevestigen, op grond van de in deze aanvraag uitvoerig uiteengezette motieven.
3.3 De verrichting heeft fiscaal nog geen uitwerking gehad
44. Overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1., §1 tweede lid VCF wordt onder een voorafgaande beslissing verstaan “de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van deze codex wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad”.
De verrichting vond reeds plaats op het ogenblik van de indiening van deze aanvraag, namelijk de ondertekening van het beding van aanwas.
De civielrechtelijke motieven om het beding van aanwas reeds te ondertekenen waren immers dermate doorslaggevend. De Aanvragers wilden de bevestigingen die het voorwerp zijn van deze aanvraag aldus niet afwachten om de wijzigingen door te voeren.
Dat de Aanvragers een beslissing van uw Dienst dus niet hebben afgewacht voor het ondertekenen van het beding van aanwas, neemt evenwel niet weg dat de verrichtingen fiscaal nog geen uitwerking kregen. De fiscale gevolgen krijgen immers pas uitwerking op het ogenblik dat de overeenkomst ter registratie zou worden aangeboden of op het ogenblik dat één van de Aanvragers zou overlijden. Het is bijgevolg mogelijk om hierover een voorafgaande beslissing te vragen (cf. Voorafgaande beslissing nr. 19014 d.d. 27 mei 2019; art. 3.22.0.0.1, §1, lid 2 VCF).
3.4 Vraagstelling
45. Gelet op de feiten, de wensen van de Aanvragers, de voorwaarden en modaliteiten van het beding van aanwas (bijlage 3 bij de aanvraag), wensen de Aanvragers van uw Dienst de bevestiging te krijgen:
1. dat de sluiting van het beding van aanwas van xx.xx.2025 en de uitwerking ervan, niet onderworpen zal zijn:
- aan erfbelasting ingevolge de artikelen 2.7.1.0.1. VCF, 2.7.1.0.2. eerste volzin VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF en 2.7.1.0.5. VCF en geen van de doelstellingen van voormelde bepalingen wordt gefrustreerd zodat ook artikel 3.17.0.0.2 VCF niet toepasselijk is.
- aan schenkbelasting ingevolge de artikelen 2.8.1.0.1. VCF, 2.8.4.1.1, §2 VCF en 2.8.7.0.2. VCF en geen van de doelstellingen van voormelde bepalingen wordt gefrustreerd zodat ook artikel 3.17.0.0.2 VCF niet toepasselijk is.
2. dat deze verrichting, op zichzelf genomen of in combinatie met de keuze voor het Belgisch stelsel van scheiding van goederen, evenmin fiscaal misbruik vormt, zodat artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is.
3.5 Duurtijd Voorafgaande Beslissing
46. Artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF stelt dat een beslissing wordt getroffen voor een termijn die niet langer mag zijn dan vijf jaar, behoudens in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag dat rechtvaardigt.
Wanneer de rulingaanvraag betrekking heeft op de registratiebelasting, is deze termijn van vijf jaar ruim voldoende. Bij kwesties omtrent erfbelasting, meer bepaald de toepassing van bepaalde fictiebepalingen, is dit geheel anders. De heffing zal immers – naar alle verwachting – pas vele jaren later plaatsvinden, bij overlijden van één van de Aanvragers.
We wensen dan ook voor deze aanvraag een verlengde duurtijd aan te vragen, meer bepaald tot aan het overlijden van één van de Aanvragers gezien de aanvraag betrekking heeft op de uitwerking van een beding van aanwas dat slechts uitwerking kan krijgen bij het overlijden van één van de Aanvragers.
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
47. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
48. Voor de beoordeling van de aanvraag tot voorafgaande beslissing toetst het besluitvormingsorgaan op basis van de burgerrechtelijke kwalificatie die door de aanvrager aan de verrichting wordt gegeven, zonder dat het besluitvormingsorgaan uitspraak doet over de burgerrechtelijke en vennootschapsrechtelijke geldigheid van de verrichting.
49. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:
- Artikel 2.7.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:
“Overeenkomstig artikel 3, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten wordt het successierecht en het recht van overgang gevestigd op de goederen die overgaan ingevolge het overlijden.”
- Artikel 2.7.1.0.2, eerste volzin VCF dat luidt als volgt:
“De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.”
- Artikel 2.7.1.0.3 VCF dat luidt als volgt:
“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd :
1° alle schulden die uitsluitend bij uiterste wil erkend zijn;
2° alle schuldbekentenissen van sommen die voorkomen als een contract onder bezwarende titel, maar die een bevoordeling inhouden en die niet aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen zijn onderworpen;
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.”;
- Artikel 2.7.1.0.5 VCF dat luidt als volgt:
“§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.”.
- Artikel 2.8.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:
“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”
- Artikel 2.8.4.1.1, §2, VCF dat luidt als volgt:
“Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :
1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.
Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.”
- Artikel 2.8.7.0.2 VCF dat luidt als volgt:
“§ 1. De belastingplicht, de belastbare grondslag, het tarief, de vrijstellingen en de verminderingen worden bepaald door het ogenblik waarop de rechtshandeling is gesteld.
In afwijking van het eerste lid worden, als er geen verplichting tot registratie geldt, de belastingplicht, de belastbare grondslag en het tarief bepaald door het ogenblik waarop de akte of het geschrift ter registratie wordt aangeboden.
§ 2. Op een rechtshandeling die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt de schenkbelasting alleen geheven als de voorwaarde vervuld is. In voorkomend geval wordt gehandeld als volgt :
1° het toepasbare tarief waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is het tarief dat van kracht is op de datum waarop de schenkbelasting opvorderbaar geweest zou zijn als de handeling onvoorwaardelijk was;
2° de belastbare grondslag waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is de belastbare grondslag op de datum van de vervulling van de voorwaarde.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de door een rechtspersoon verrichte rechtshandeling die aan machtiging, goedkeuring of bekrachtiging van een overheid onderworpen is, gelijkgesteld met een aan een opschortende voorwaarde onderworpen rechtshandeling.”
- Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:
“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”
50. Het feit dat een beding van aanwas/kanscontract tussen echtgenoten wordt afgesloten maakt dit contract op zich niet ongeldig. Wanneer een dergelijk beding van aanwas/kanscontract wordt afgesloten tussen echtgenoten zoals in onderhavig geval, moet het slaan op de eigen goederen van de echtgenoten,
51. Er wordt vanuit fiscaal oogpunt aanvaard dat de betrokken goederen niet zijn onderworpen aan de schenkbelasting (maar bij onroerende goederen wel aan het verkooprecht) mits het contract beperkt is, via beschikking onder bijzondere titel, en ten bezwarende titel is.
52. Het contract is onder bijzondere titel, wanneer de overeenkomst niet de algemeenheid van de goederen betreft die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, en evenmin een evenredig deel van de goederen die de partij zal nalaten, noch al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een evenredig deel van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden.
53. Het voorwerp van de overeenkomst wordt in casu omschreven als ‘de onverdeelde roerende goederen die op het ogenblik van het overlijden, tussen hen in onverdeeldheid zijn’. De goederen waarop het contract betrekking heeft, zijn actueel onzeker aangezien er wordt verwezen naar de onverdeelde goederen aanwezig op het moment van het overlijden van de eerststervende. De goederen kunnen wijzigen alsook hebben aanvragers de mogelijkheid bepaalde roerende goederen verder onder het contract te plaatsen of aan het contract te onttrekken. De aanvragers verbinden zich op heden nog tot niets. Op basis van deze ruime omschrijving hebben de aanvragers de mogelijkheid om een evenredig deel van de goederen die de partij zal nalaten, al zijn roerende goederen, of een evenredig deel van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden onder het contract te laten vallen. Het besluitvormingsorgaan is daarom van oordeel dat het contract opgemaakt tussen de echtgenoten geen kanscontract is.
54. Een beding van aanwas wordt aanzien als een kanscontract ten bezwarende titel wanneer de kansen evenwichtig zijn. Er wordt niet vereist dat de kansen gelijk zijn. Er dient wel sprake te zijn van een gelijkaardige levensverwachting van de betrokken partijen en er dient een gelijkwaardige inleg te zijn.
Aangezien de inleg van beide aanvragers nog onbepaald is, en er geen bijzonder karakter van de overeenkomst kan worden aangetoond, gaat het besluitvormingsorgaan niet verder in op het al dan niet evenwichtig zijn van het contract en dus bijgevolg over het bezwarende karakter van het contract.
55. Op basis van de elementen en feiten vermeld in de aanvraag tot voorafgaande beslissing, is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat het voorgenomen contract tussen de aanvragers niet kan worden gezien als een kanscontract ten bijzondere titel aangezien de formulering van het voorwerp van het kanscontract te algemeen wordt omschreven zoals hierboven bij randnummer 53 aangehaald. Dientengevolge kan niet worden geoordeeld of er erfbelasting of schenkbelasting geheven zal worden in toepassing van de artikelen 2.7.1.0.1. VCF, 2.7.1.0.2. eerste volzin VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF en 2.7.1.0.5. VCF, 2.8.1.0.1. VCF, 2.8.4.1.1, §2 VCF en 2.8.7.0.2. VCF.
56. Aangezien het besluitvormingsorgaan van oordeel is dat het voorgenomen contract tussen de aanvragers niet kan worden gezien als een kanscontract ten bijzondere titel, wordt niet verder onderzocht of er sprake is van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
Deze beslissing heeft alleen betrekking op de schenk- en de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.
Voetnoten
[1] Voorafgaande beslissing nr. 24117 d.d. 24 februari 2025; Voorafgaande beslissing nr. 19033 d.d. 16 september 2019; Voorafgaande beslissing nr. 17058 d.d. 19 maart 2018; Voorafgaande beslissing 18013 d.d. 19 maart 2018; Voorafgaande beslissing nr. 17046 d.d. 19 februari 2018; Voorafgaande beslissing nr. 17025 d.d. 4 september 2017.
[2] Voorafgaande beslissing nr. 23057 dd. 25 september 2023; Voorafgaande beslissing nr. 23035 dd. 21 augustus 2023; Voorafgaande beslissing nr. 23017 dd. 17 juli 2023; Voorgaande beslissing nr. 22024 dd. 23 mei 2022; Voorafgaande beslissing nr. 22022 dd. 23 mei 2022; Voorafgaande beslissing nr. 20014 dd. 25 mei 2020; Voorafgaande beslissing nr. 18045 dd. 12 november 2018; Voorafgaande beslissing nr. 18036 dd. 05 september 2018; Voorafgaande beslissing nr. 18013 dd. 19 maart 2018; Voorafgaande beslissing nr. 17058 dd. 19 maart 2018; Voorafgaande beslissing nr. 17046 dd. 19 februari 2018; Voorafgaande beslissing nr. 17025 dd. 4 september 2017.