VB 25146 - Onrechtstreekse schenking - inbreng in maatschap met uitgifte aandelen
- Nummer
25146
- Datum beslissing
23 februari 2026
- Publicatiedatum
26 maart 2026
Heffing
- Erfbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.1.0.2. VCF
- art. 2.7.1.0.3, 3° VCF
- art. 2.7.1.0.5. VCF
- art. 2.7.1.0.6. VCF
- art. 2.7.1.0.7. VCF
- art. 2.7.1.0.9. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te krijgen dat, gelet op de argumentatie en motivering zoals hierna uiteengezet, de onrechtstreekse en niet-geregistreerde schenking van de aanvragers door inbreng van aandelen in volle eigendom in een nieuw op te richten maatschap, waarbij nieuwe aandelen worden gecreëerd die worden toegekend aan de kinderen van de aanvragers, en waarvan het bestaan wordt vastgelegd in een onderhands bewijsdocument (pacte adjoint), bij het overlijden van (één van) de aanvragers niet aan erfbelasting onderworpen zal worden op grond van:
- artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF al dan niet in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF;
- artikel 2.7.1.0.5 VCF, al dan niet in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF, althans indien de aanvragers nog minstens vijf jaar in leven blijven na de onrechtstreekse schenking;
- artikel 2.7.1.0.6 VCF, al dan niet in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF;
- artikel 2.7.1.0.7 VCF al dan niet in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF;
- artikel 2.7.1.0.9 VCF al dan niet in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF.
2. Artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF stelt dat een beslissing wordt getroffen voor een termijn die niet langer mag zijn dan vijf jaar, behoudens in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag dat rechtvaardigt. Wanneer de rulingaanvraag betrekking heeft op de registratiebelasting, is deze termijn van vijf jaar in principe ruim voldoende. Bij kwesties omtrent erfbelasting, meer bepaald de toepassing van bepaalde fictiebepalingen is dit geheel anders. De heffing zal immers – naar alle verwachting – pas vele jaren later plaatsvinden, bij overlijden van de aanvragers.
Een voorafgaande beslissing inzake erfbelasting is volgens aanvragers een geval waarin het voorwerp van de aanvraag ‘automatisch’ een langere duurtijd rechtvaardigt en vereist aldus niet dat de aanvragers expliciet de bevestiging vragen voor een langere duurtijd. We begrepen dat het standpunt van de Vlaamse Belastingdienst is dat de verlenging van de duurtijd uitdrukkelijk moet worden gevraagd.
De aanvragers verzoeken uitdrukkelijk overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF dat gelet op het voorwerp van de onderhavige aanvraag, de termijn waarvoor de beslissing wordt getroffen langer zal zijn dan vijf jaar. Zij verzoeken meer bepaald een geldigheidsduur van de afgeleverde beslissing toe te kennen tot en met het overlijden van beide aanvragers.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
3. De voorafgaande beslissing wordt gevraagd door Meester […], advocaat bij […], namens:
de heer X, geboren te […] op xx.xx.1959, met rijksregisternummer: […], en zijn echtgenote mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1970, met rijksregisternummer: […].
Op heden wonen zij samen te […]. Wij bevestigen tevens dat de echtgenoten hun fiscale woonplaats sinds meer dan vijf jaar in het Vlaamse Gewest hebben.
4. De echtgenoten zijn gehuwd op xx.xx.1993 onder het wettelijk stelsel, zonder huwelijkscontract.
5. De echtgenoten hebben drie gemeenschappelijke meerderjarige kinderen, te weten:
- Mevrouw A, geboren te […] op xx.xx.1995 met rijksregisternummer […], ongehuwd, wonend te […];
- Mevrouw B, geboren te […] op xx.xx.1997 met rijksregisternummer […], wettelijk samenwonend, wonend te […];
- Mevrouw C, geboren te […] op xx.xx.1999 met rijksregisternummer […], ongehuwd, wonend te […].
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting
6. De echtelieden X–Y en hun kinderen zijn thans aandeelhouder van CommV D met ondernemingsnummer […] en gevestigd te […]. Deze vennootschap werd oorspronkelijk opgericht door de heren X en Z op xx.xx.1988.
De aandeelhoudersstructuur doet zich als volgt voor:
Bij de oprichting behoorden 45 aandelen in volle eigendom tot het eigen vermogen van X en 5 aandelen in volle eigendom tot het vermogen van Z. Op xx.xx.2023 werden 3 van de 45 aandelen die tot het eigen vermogen van de heer X behoorden, via koop-verkoopovereenkomst overgedragen aan zijn drie dochters, zodat ieder van hen één aandeel in volle eigendom verkreeg. Op xx.xx.2023 werden de 5 aandelen die oorspronkelijk toebehoorden aan de heer Z, via koop-verkoopovereenkomst overgedragen aan de heer X; deze aandelen maken sindsdien deel uit van het gemeenschappelijk vermogen van de heer X en mevrouw Y.
De aandelen van CommV D worden dus thans als volgt aangehouden:
- X is eigenaar van 42 aandelen in volle eigendom die tot zijn eigen vermogen behoren;
- X en Y zijn samen eigenaar van 5 aandelen in volle eigendom die tot hun gemeenschappelijk vermogen behoren;
- A is eigenaar van 1 aandeel in volle eigendom dat tot haar eigen vermogen behoort;
- B is eigenaar van 1 aandeel in volle eigendom dat tot haar eigen vermogen behoort;
- C is eigenaar van 1 aandeel in volle eigendom dat tot haar eigen vermogen behoort.
7. De heer X en mevrouw Y beogen hun aandelen van CommV D in te brengen in een nieuw op te richten Belgische maatschap zonder rechtspersoonlijkheid (hierna de “maatschap” genoemd).[1] Meer bepaald zullen zij gezamenlijk de 5 aandelen van CommV D in volle eigendom, die tot hun gemeenschappelijk vermogen behoren, inbrengen. Daarnaast zal de heer X tevens 41 van de 42 aandelen van CommV D, die tot zijn eigen vermogen behoren, inbrengen.
Deze inbreng in de maatschap door de heer X voor wat betreft de aandelen behorende tot zijn eigen vermogen, c.q. door de echtelieden gezamenlijk voor wat betreft de aandelen behorende tot hun gemeenschappelijk vermogen, zal worden verricht via de techniek van de inbreng ten behoeve van een derde, waarbij de aandelen die naar aanleiding van deze inbreng worden uitgegeven, rechtstreeks en in volle eigendom aan de kinderen zullen worden uitgegeven.[2]
Naar aanleiding van de oprichting van de maatschap zullen 1.000 aandelen op naam worden gecreëerd, waarvan 996 aandelen op naam door de maatschap in onverdeeldheid aan de drie kinderen, t.v.v. A, B en C zullen worden uitgegeven. De aldus aan de drie kinderen in onverdeeldheid toegekende aandelen zullen behoren tot hun respectievelijke eigen vermogens. Daarnaast worden 2 aandelen op naam uitgegeven aan de heer X en mevrouw Y, welke, ingevolge zaakvervanging, tot hun gemeenschappelijk vermogen zullen behoren, alsook 2 aandelen op naam aan de heer X alleen, welke, ingevolge zaakvervanging, tot zijn eigen vermogen zullen behoren.
Elk aandeel krijgt 1 stem.
De kinderen zullen geen partij zijn bij de oprichtingsakte van de maatschap.
8. De heer X en mevrouw Y realiseren door hun inbreng in de maatschap, ten voordele van hun kinderen, een onrechtstreekse schenking.[3] Ter bevestiging hiervan zal na de oprichting van de maatschap een pacte adjoint worden opgesteld, strekkende tot bewijs van deze onrechtstreekse schenking.[4]
Een onrechtstreekse schenking wordt gekenmerkt door haar autonoom en neutraal karakter.
Het autonoom karakter houdt in dat de gestelde rechtshandeling aan een eigen specifieke reglementering onderworpen is en op zichzelf staat.[5] De inbreng in een maatschap is aan de eigen specifieke reglementering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen onderworpen. De inbreng door oprichting van een maatschap (waarbij de aandelen uitgegeven worden aan een derde) heeft bijgevolg een autonoom statuut, waaraan een onmiddellijke en definitieve vermogensoverdracht gekoppeld is.
Het neutraal karakter van de gestelde rechtshandeling houdt in dat een onrechtstreekse schenking tot stand komt via een neutrale en definitieve rechtshandeling, die niet aangeeft of ze ten kosteloze titel of ten bezwarende titel is aangegaan, met andere woorden de oprichtingsakte vermeldt niet dat het om een schenking gaat.[6]
Het pacte adjoint, strekkende tot bewijs van deze onrechtstreekse schenking, zal onder meer de volgende voorwaarden en modaliteiten, verbonden aan de schenking, uitdrukkelijk en schriftelijk bevestigen:
- Optioneel beding van terugkeer;
- Verbod tot inbreng in de huwgemeenschap en alle andere vormen van goederengemeenschap ten gevolge van een partnerschap of enige andere samenwoningsvorm;
- Zaakvervangingsclausule;
- Last tot uitkering van een jaarlijkse periodieke lijfrente waarvan het bedrag jaarlijks door de schenkers zelf zal worden bepaald, met dien verstande dat het bedrag van de rente voor elk jaar – welke niet cumulatief is met niet-opgevraagde renten uit voorgaande jaren – nooit meer dan 5% zal mogen bedragen van de waarde van de geschonken goederen op de datum van de schenking. De rente is niet meer verschuldigd vanaf de dag waarop de tegenwaarde van de betaalde renten een totaalbedrag heeft bereikt dat gelijk is aan 75% van de waarde van de geschonken goederen op de datum van de schenking.
9. Na de oprichting van de maatschap zullen de kinderen, op eigen initiatief, het aandeel in CommV D, dat zij ieder in volle eigendom hebben ingevolge de koop-verkoopovereenkomst van xx.xx.2023, bijkomend in de maatschap inbrengen teneinde een gezamenlijk familiaal beheer van de aandelen mogelijk te maken. In ruil voor deze inbreng, zullen zij telkens 1 bijkomend aandeel van de maatschap ontvangen.
De heer X zal, in zijn hoedanigheid van beherende (of gecommanditeerde) vennoot van de commanditaire vennootschap D, één aandeel in volle eigendom van deze vennootschap behouden.[7]
III. Motivering van de aanvraag
1. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF (schenking onder opschortende voorwaarde of termijn) al dan niet in samenlezing met de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF
10. Artikel 2.7.1.0.3. 3° VCF luidt als volgt:
“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° […];
2° […];
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.”
11. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF viseert schenkingen waarbij de eigendomsoverdracht van de geschonken goederen wordt uitgesteld tot het overlijden van de schenker. Er is in voorliggend geval evenwel sprake van een onmiddellijke eigendomsoverdracht aan de kinderen. Het gebruik van een maatschap doet hier geen afbreuk aan.
Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF kan dan ook niet worden toegepast op de voorgenomen verrichting.
12. Artikel 3.17.0.0.2 VCF luidt als volgt:
“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”
13. De algemene antimisbruikbepaling kan enkel worden toegepast indien de gewone interpretatiemethode, de technische bepalingen van de fiscale wetgeving, de simulatieleer en de bijzondere fiscale misbruikbepalingen (de fictiebepalingen vervat in de artikelen 2.7.1.0.3 en volgende VCF) geen oplossing meer kunnen bieden. Het Grondwettelijk Hof heeft, in haar arrest van 30 oktober 2013, geoordeeld dat er rekening moet worden gehouden met het eventuele bestaan van specifieke bepalingen die reeds ertoe strekken bepaalde misbruiken van de fiscale wetgeving tegen te gaan. Eén en ander noopt, naar de mening van de aanvragers, tot een mate van “terughoudendheid” bij een gecombineerde toepassing van een specifieke en de algemene antimisbruikbepaling.
14. De fictiebepaling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF werd destijds ingevoerd kort na de introductie van de lage vlakke tarieven van 3% en 7% bij schenkingen van roerende goederen. Deze verlaagde tarieven hadden als doelstelling om gelden sneller door te geven aan de volgende generaties. Van de vlakke tarieven zou echter eenvoudig misbruik kunnen worden gemaakt door roerende goederen te schenken onder opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de schenker. Zonder specifieke antimisbruikbepaling zou bij registratie van dergelijke schenkingsakte enkel het algemeen vast recht verschuldigd zijn. Bij overlijden van de schenker zou enkel de schenkbelasting van 3% of 7% verschuldigd zijn. Omdat zo’n schenking burgerrechtelijk quasi dezelfde gevolgen heeft als een legaat, is toen beslist om ze fiscaalrechtelijk gelijk te stellen met een legaat.[8]
15. Niettegenstaande het arrest van het hof van beroep van Gent [9] waarin het hof bevestigt dat het aan de Vlaamse belastingdienst toekomt om aan te tonen dat een welbepaalde verrichting ingaat tegen de doelstelling van een fiscale bepaling, wensen de aanvragers er nu reeds op te wijzen dat er in casu geenszins wordt ingegaan tegen de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF (objectief element), aangezien:
- Er geen uitstel is van eigendomsoverdracht. De kinderen zullen onmiddellijk beschikken over het volle eigendomsrecht van de aandelen. De maatschap zal de aandelen immers onmiddellijk en rechtstreeks uitgeven aan de kinderen, zonder dat er aan de verkrijging enige opschortende voorwaarde of termijn wordt gekoppeld. Bij verkoop van de aandelen van de maatschap of bij ontbinding van de maatschap komen de verkregen prijs, respectievelijk de actiefbestanddelen van de maatschap, ten belope van het door hen aangehouden aandelenbezit rechtstreeks in het vermogen van de kinderen terecht;
- De maatschap wordt opgericht voor een bepaalde duur van dertig jaar en wordt met andere woorden niet gekoppeld aan het overlijden van de schenkers;
- Het bestuur van de maatschap dat wordt toegekend aan de zaakvoerder (in eerste instantie de heer X en bij diens overlijden mevrouw Y) is ingegeven in het belang van het vermogen van de maatschap (gelimiteerd zaakvoerderschap) en dus van alle vennoten; dit is wezenlijk verschillend van de zeggenschap die een eigenaar over zijn goederen heeft; een maatschapscontract is enkel een lastgevingscontract waarbij de zaakvoerder voor rekening van alle vennoten daden van beheer en beschikking binnen het welomschreven voorwerp van de maatschap kan stellen;
- De vennoten moeten unaniem hun goedkeuring verlenen bij de volgende beslissingen van het bestuur : (i) indien de maatschap een transactie verricht waarbij (externe) schulden worden aangegaan (ii) indien de maatschap een actiefbestanddeel wenst te hypothekeren of in pand te geven (iii) indien de maatschap een actiefbestanddeel vervreemdt voor een lagere waarde dan waarvoor het actief werd aangekocht of verworven en (iv) indien de maatschap een beslissing neemt met een transactiewaarde van minstens 1.000.000 €. Dit betekent dat de algemene vergadering (en dus de kinderen) de zaakvoering overheerst; de kinderen zijn ook al meerderjarig en oefenen derhalve hun stemrecht zelf uit;
- Elke beslissing op het niveau van de algemene vergadering vereist unanimiteit, hetgeen impliceert dat de ouders geen enkele beslissing alleen kunnen nemen;
- Uit bovenstaande blijkt duidelijk dat de ouders geen volledige beschikkingsbevoegdheid over het vermogen van de maatschap hebben; zij kunnen onder meer niet alleen beslissen om:
- De aandelen in pand te geven;
- De jaarrekening van de maatschap goed te keuren;
- Een winstuitkering uit de maatschap te verrichten;
- …
- In het verleden werden reeds diverse voorafgaande beslissingen gepubliceerd waarin de Vlaamse Belastingdienst zich geregeld over de toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF op grond van de algemene antimisbruikbepaling uitspreekt. Het gaat onder meer om Voorafg. Besl. nr. 18011 van 5 maart 2018, nr. 18012 van 19 maart 2018, nr. 18017 van 16 april 2018, nr. 18020 van 28 mei 2018, nr. 18022 van 11 juni 2018, nr. 18026 van 25 juli 2018, nr. 18027 van 5 september 2018, nr. 18033 van 5 september 2018, nr. 18038 van 5 september 2018, nr. 18046 van 10 december 2018, nr. 18047 van 26 november 2018, nr. 18055 van 18 februari 2019, nr. 19031 van 19 augustus 2019, nr. 19055 van 25 november 2019, nr. 20007 van 27 april 2020, nr. 22069 van 27 februari 2023, nr. 22070 van 27 februari 2023, nr. 23081 van 18 december 2023, nr. 23082 van 18 december 2023, nr. 23083 van 18 december 2023, nr. 24004 van 25 maart 2024, nr. 24005 van 25 maart 2024, nr. 24017 van 14 mei 2024, nr. 24018 van 14 mei 2024, nr. 24024 van 17 juni 2024, nr. 24044 van 29 juli 2024 en nr. 24055 van 13 januari 2025. In deze beslissingen werd steeds in concreto geoordeeld dat er geen toepassing zal worden gemaakt van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, noch rechtstreeks, noch op basis van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
16. Artikel 2.7.1.0.3,3° VCF (al dan niet) in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF kan dan ook niet worden toegepast op voorgenomen verrichting.
2. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF, al dan niet in samenlezing met de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF, mits de schenkers nog minstens vijf jaar in leven zijn na de onrechtstreekse schenking;
17. Artikel 2.7.1.0.5 VCF luidt als volgt:
“§ 1 De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2 De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.”
a) Eventuele winstreservatie door de algemene vergadering is geen onrechtstreekse schenking
18. Standpunt nr. 20067 dd. 21 juni 2021 vermeldt het volgende: “De beslissing van de algemene vergadering tot incorporatie van de vruchten wordt beschouwd als een onrechtstreekse schenking die onder toepassing van art. 2.7.1.0.5 VCF valt indien de vruchtgebruiker binnen de 3 jaar na de beslissing van de algemene vergadering overlijdt.”
Vermits de aandelen in volle eigendom zullen toebehoren aan de kinderen, is de keuze van de algemene vergadering om de winsten te reserveren geen onrechtstreekse schenking in de zin van standpunt nr. 20067 dd. 21 juni 2021.
We verwijzen voorts naar de voorafgaande beslissingen nummer 22069 dd. 27 februari 2023, nummer 22070 dd. 27 februari 2023 en nummer 23022 dd. 22 mei 2023.
19. Artikel 2.7.1.0.5 VCF (al dan niet) in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF kan dan ook niet worden toegepast op de gereserveerde winsten.
b) De inbreng ten behoeve van een derde is wel een onrechtstreekse schenking
20. De inbreng in natura ten behoeve van een derde door de ouders waarbij de aandelen door de maatschap worden uitgegeven aan de kinderen vormt een onrechtstreekse schenking die a priori niet ter registratie zal aangeboden worden. Dit geldt zowel voor wat betreft de door de heer X ingebrachte aandelen die tot zijn eigen vermogen behoren (41), als voor wat betreft de door beide echtgenoten ingebrachte aandelen (5).
21. Op deze onrechtstreekse schenking zal artikel 2.7.1.0.5 VCF van toepassing zijn. Indien (één van) de ouders komt te overlijden binnen de vijf jaar na de onrechtstreekse schenking, zal deze schenking als fictief legaat aan erfbelasting onderworpen zijn, tenzij het bewijsdocument van de onrechtstreekse schenking voorafgaand aan het overlijden van (één van) de ouders ter registratie wordt aangeboden.
3. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.6 VCF, al dan niet in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF
22. Artikel 2.7.1.0.6 VCF luidt als volgt:
“§1. De sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater of door een derde in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.
Ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon zijn toegekomen, binnen vijf jaar vóór het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.
Als de erflater een contract had afgesloten op grond waarvan er pas een uitkering kan gebeuren na het overlijden van de erflater, worden de sommen, renten of waarden geacht kosteloos te worden verkregen, en geacht als legaat te zijn verkregen, naar gelang van het geval:
1° door de persoon die het levensverzekeringscontract afkoopt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip van de afkoop;
2° door de persoon die de sommen, renten of waarden effectief verkrijgt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip dat er een uitkering gebeurt.
Wanneer een overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gelden de bepalingen van het eerste, het tweede en het derde lid ook voor de sommen, renten of waarden die kosteloos aan de langstlevende echtgenoot toekomen ingevolge een levensverzekeringscontract of een contract met vestiging van rente dat door die langstlevende echtgenoot is gesloten.
§2. Dit artikel is van toepassing op de sommen of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van degene die een levensverzekering aan order of aan toonder is aangegaan.
De persoon, vermeld in dit artikel, wordt vermoed kosteloos te ontvangen, behoudens tegenbewijs. Dit tegenbewijs kan niet worden geleverd door aan te tonen dat het contract werd geschonken aan deze persoon.
Dit artikel is niet van toepassing op:
1° de sommen, renten of waarden die verkregen zijn ingevolge een beding dat aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen;
2° de renten en kapitalen die gevestigd zijn ter uitvoering van een wettelijke verplichting;
3° de renten en kapitalen die door tussenkomst van de werkgever van de erflater, of door tussenkomst van de werkgever van de langstlevende echtgenoot van de erflater die met de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gevestigd zijn in het voordeel van de langstlevende echtgenoot van de erflater of zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, tot uitvoering van hetzij een groepsverzekeringscontract, onderschreven ingevolge een bindend reglement van de onderneming dat beantwoordt aan de voorwaarden, gesteld door de reglementering betreffende de controle van dergelijke contracten, hetzij het bindend reglement van een voorzorgsfonds, opgericht in het voordeel van het personeel van de onderneming;
4° de sommen, renten of waarden die bij het overlijden van de erflater worden verkregen ingevolge een contract dat een door een derde in het voordeel van de verkrijger gemaakt beding bevat, als er bewezen wordt dat die derde kosteloos in het voordeel van de verkrijger heeft bedongen.”
23. Een maatschap is fiscaal transparant. De Vlaamse Belastingdienst beoordeelt de overdracht van deelgerechtigdheden van een maatschap in het kader van de registratie- en erfbelasting als een overdracht van de respectievelijke goederen die in de maatschap werden ingebracht waarbij de aard van die goederen de belastbaarheid bepaalt.
24. Artikel 2.7.1.0.6 VCF treft bedingen ten behoeve van een derde. Een beding ten behoeve van een derde is een beding in een overeenkomst waarbij één van de contractanten met de andere bedingt dat deze laatste iets zal geven of doen ten voordele van een derde, die vreemd is aan de overeenkomst en er niet in vertegenwoordigd is.[10]
Gezien een maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft, en dus niet kwalificeert als een actief of een passief rechtssubject, kunnen de ouders geen contract met de maatschap sluiten. Artikel 2.7.1.0.6 VCF, al dan niet in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF, is hierop niet van toepassing.
25. Dezelfde redenering is van toepassing op de latere uitkeringen via het doelvermogen dat de maatschap is. De uitkeringen uit dit doelvermogen worden fiscaal aanzien als uitkeringen uit de achterliggende goederen, zodat artikel 2.7.1.0.6 VCF (al dan niet) in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF niet van toepassing is.
Wij verwijzen ook naar de voorafgaande beslissingen nr. 23081 van 18 december 2023, nr. 24004 van 25 maart 2024, nr. 24018 van 14 mei 2024, nr. 24044 van 29 juli 2024 en nr. 24055 van 13 januari 2025 waarin het voorgaande door de Vlaamse Belastingdienst werd bevestigd.
4. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.7 VCF (gesplitste inschrijving) al dan niet in samenlezing met de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF
26. Artikel 2.7.1.0.7. VCF luidt als volgt:
“De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.
Het eerste lid is niet van toepassing:
1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;
2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”
27. Voor de toepassing van art. 2.7.1.0.7 VCF blijkt de gesplitste inschrijving van een effectenportefeuille of geldbelegging die door een maatschap wordt aangehouden uit:
- Ofwel de vermeldingen in het matenregister[11] (materiële gesplitste inschrijving);
- Ofwel de vermeldingen in de documenten zoals door de financiële instellingen bijgehouden (materiële gesplitste inschrijving);
- Ofwel de zakenrechtelijke situatie van de effectenportefeuille of geldbeleggingen (juridische gesplitste inschrijving).
In casu ligt er geen materieel of juridisch gesplitste inschrijving voor, aangezien geen enkel aandeel van de maatschap aangehouden wordt in vruchtgebruik door de ouders en in blote eigendom door de kinderen.
28. Artikel 2.7.1.0.7 VCF (al dan niet) in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF, kan dan ook niet worden toegepast op voorgenomen verrichting.
5. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.9 VCF (voorbehouden van levenslang recht) al dan niet in samenlezing met de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF
29. Artikel 2.7.1.0.9 VCF luidt als volgt:
“Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.
Het eerste lid is niet van toepassing als:
1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;
2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”
30. De aandelen van CommV D worden door de ouders definitief en onherroepelijk overgedragen aan de maatschap, met uitgifte van nieuwe aandelen door de maatschap. Van deze uitgifte worden in totaal 996 aandelen rechtstreeks in volle eigendom toegekend aan de kinderen in onverdeeldheid. Deze vermogensbestanddelen worden met andere woorden meteen geschonken door de ouders aan de kinderen.
Deze voornoemde onrechtstreekse schenking van de aandelen van de maatschap door de ouders aan de kinderen kan niet worden gekwalificeerd als een overeenkomst ten bezwarende titel, vermits de rechtshandeling als een (onrechtstreekse) schenking kwalificeert. Er bestaat ten andere geen tegenprestatie van de kinderen aan de ouders.
31. Aan de schenking wordt een last tot uitkering van een jaarlijkse periodieke lijfrente gekoppeld, waarvan het bedrag jaarlijks door de schenkers zelf zal worden bepaald, met dien verstande evenwel dat het bedrag van de rente voor elk jaar – welke niet cumulatief is met niet-opgevraagde renten uit voorgaande jaren – nooit meer dan 5% zal mogen bedragen van de waarde van de geschonken goederen op de datum van de schenking, en dat de uitkering van deze rente in haar geheel wordt beperkt tot 75% van de waarde van de geschonken goederen op de datum van de schenking. Hiermee wordt beoogd dat de last niet danig hoog zal oplopen dat de schenking in feite geen schenking meer is. Er kan zich met andere woorden nooit een herkwalificatie naar een contract ten bezwarende titel opdringen.
We verwijzen voorts op dit punt naar de voorafgaande beslissingen nummer 22069 dd. 27 februari 2023, nummer 22070 dd. 27 februari 2023, nummer 22073 van 13 maart 2023, nummer 23022 dd. 22 mei 2023, nummer 23059 dd. 25 september 2023 en nummer 23081 dd. 18 december 2023, nummer 24018 dd. 14 mei 2024 waarin wordt aanvaard dat voor zover de schenking niet kan worden uitgeput door de plafonnering van de last, er geen herkwalificatie naar een contract ten bezwarende titel zal gebeuren. Dat bijgevolg voor zover de schenking niet uitgeput kan worden door de plafonnering van de last, er geen toepassing zal worden gemaakt van artikel 2.7.1.0.9 VCF, noch rechtstreeks, noch op basis van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
32. Artikel 2.7.1.0.9 VCF (al dan niet) in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF kan dan ook niet worden toegepast op voorgenomen verrichting.
6. Geen toepassing artikel 3.17.0.0.2 VCF
33. Zoals hoger vermeld, is er sprake van fiscaal misbruik in de zin van de algemene antimisbruikbepaling indien de belastingplichtige een rechtshandeling stelt waarmee hij zich, in strijd met de doelstellingen van een fiscale bepaling in de wet, buiten het toepassingsgebied van die bepaling stelt terwijl er voor die keuze geen enkele andere verklaring bestaat dan het vermijden van de belasting of zich juist binnen het toepassingsgebied van een verminderde of vrijstellende wet stelt terwijl er voor die keuze geen enkele andere verklaring bestaat dan het besparen van belastingen.
34. In casu is evenwel geen sprake van fiscaal misbruik, vermits er geen doelstellingen van fiscale bepalingen worden gefrustreerd (objectief element).
35. Bovendien wensen de aanvragers er specifiek op te wijzen dat de oprichting van de maatschap en de inbrengen daarin zijn ingegeven door de wens van de ouders om het familiaal vermogen op een gestructureerde en efficiënte wijze te beheren en dit op transparante wijze over te dragen aan hun kinderen, met bijzondere aandacht voor het vermijden van versnippering van het vermogen en het verzekeren van een harmonieuze opvolging binnen de familie (subjectief element). Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit overbodig is aangezien hierboven reeds blijkt dat de er geen sprake is van fiscaal misbruik op grond van het objectieve element.
36. Samengevat, de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF kan niet toegepast worden op de voorgenomen verrichtingen.
Besluit
37. Gelet op het voorgaande verzoek ik als mandataris het besluitvormingsorgaan onderhavig verzoek ontvankelijk te willen verklaren, en bij wijze van voorafgaande beslissing te willen bevestigen dat:
- de onrechtstreekse en niet-geregistreerde schenking door de aanvragers bij het overlijden van (één van) de aanvragers niet aan erfbelasting onderworpen zal worden op basis van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF noch op basis van artikel 2.7.1.0.5 VCF mits de aanvragers nog minstens vijf jaar in leven zijn na de onrechtstreekse schenking; noch op basis van artikel 2.7.1.0.6 VCF; noch op basis van artikel 2.7.1.0.7 VCF; noch op basis van artikel 2.7.1.0.9 VCF en voormelde schenking geen van deze bepalingen frustreert zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2. VCF daarop niet toepasselijk is.
- de onrechtstreekse en niet-geregistreerde schenking door de aanvragers geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2. VCF.
- dat het besluit van de bevoegde entiteit geldig blijft tot en met het overlijden van beide aanvragers overeenkomstig artikelen 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF en gelet op het voorwerp van de onderhavige aanvraag,
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
38. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerrechtelijk vlak.
Voor de beoordeling van de aanvraag tot voorafgaande beslissing toetst het besluitvormingsorgaan op basis van de burgerrechtelijke kwalificatie die door de aanvrager aan de verrichting wordt gegeven, zonder dat het besluitvormingsorgaan uitspraak doet over de burgerrechtelijke geldigheid van de verrichting.
In casu betreft de voorgenomen verrichting de oprichting van een nieuwe maatschap E door de heer X en mevrouw Y, waarbij zij hun aandelen van CommV D in de maatschap inbrengen, meer bepaald de heer X 41 aandelen van CommV D en de echtgenoten X-Y gezamenlijk 5 aandelen van CommV D.
Naar aanleiding van de oprichting zullen 1.000 aandelen op naam gecreëerd worden in de maatschap E, die grotendeels (nl. 996 aandelen) rechtstreeks aan de 3 kinderen worden uitgegeven.
Aanvragers kwalificeren deze voorgenomen verrichting als een onrechtstreekse schenking, op basis van een beding ten behoeve van derden, door de ouders aan de 3 kinderen.
Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘onrechtstreekse schenking’ niet wettelijk gedefinieerd is, en dat er in de rechtsleer verschillende strekkingen bestaan voor de invulling van dit begrip.
Gezien het besluitvormingsorgaan bij voorafgaande beslissing echter geen uitspraak doet over de burgerrechtelijke geldigheid van de voorgelegde verrichtingen, wordt er voor de toetsing van de gevraagde artikelen van de VCF van uitgegaan dat de verrichting als schenking, en meer bepaald als onrechtstreekse schenking, bestaat en geldig is.
Enkel in de mate dat de verrichting die door de aanvragers wordt voorgesteld burgerrechtelijk geldig is en bovendien kan kwalificeren als een schenking, en meer bepaald als een onrechtstreekse schenking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.
39. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan. De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.
A. Onderzoek artikelen VCF
40. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:
- Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, dat luidt als volgt:
Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° …
2° …
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
- Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:
§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.
- Artikel 2.7.1.0.6 VCF, dat luidt als volgt:
§ 1. De sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater of door een derde in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.
Ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon zijn toegekomen, binnen vijf jaar vóór het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.
Als de erflater een contract had afgesloten op grond waarvan er pas een uitkering kan gebeuren na het overlijden van de erflater, worden de sommen, renten of waarden geacht kosteloos te worden verkregen, en geacht als legaat te zijn verkregen, naar gelang van het geval:
1° door de persoon die het levensverzekeringscontract afkoopt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip van de afkoop;
2° door de persoon die de sommen, renten of waarden effectief verkrijgt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip dat er een uitkering gebeurt.
Wanneer een overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gelden de bepalingen van het eerste, het tweede en het derde lid ook voor de sommen, renten of waarden die kosteloos aan de langstlevende echtgenoot toekomen ingevolge een levensverzekeringscontract of een contract met vestiging van rente dat door die langstlevende echtgenoot is gesloten.
§ 2. Dit artikel is van toepassing op de sommen of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van degene die een levensverzekering aan order of aan toonder is aangegaan.
De persoon, vermeld in dit artikel, wordt vermoed kosteloos te ontvangen, behoudens tegenbewijs. Dit tegenbewijs kan niet worden geleverd door aan te tonen dat het contract werd geschonken aan deze persoon.
Dit artikel is niet van toepassing op :
1° de sommen, renten of waarden die verkregen zijn ingevolge een beding dat aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen;
2° de renten en kapitalen die gevestigd zijn ter uitvoering van een wettelijke verplichting;
3° de renten en kapitalen die door tussenkomst van de werkgever van de erflater, of door tussenkomst van de werkgever van de langstlevende echtgenoot van de erflater die met de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gevestigd zijn in het voordeel van de langstlevende echtgenoot van de erflater of zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, tot uitvoering van hetzij een groepsverzekeringscontract, onderschreven ingevolge een bindend reglement van de onderneming dat beantwoordt aan de voorwaarden, gesteld door de reglementering betreffende de controle van dergelijke contracten, hetzij het bindend reglement van een voorzorgsfonds, opgericht in het voordeel van het personeel van de onderneming;
4° de sommen, renten of waarden die bij het overlijden van de erflater worden verkregen ingevolge een contract dat een door een derde in het voordeel van de verkrijger gemaakt beding bevat, als er bewezen wordt dat die derde kosteloos in het voordeel van de verkrijger heeft bedongen.
- Artikel 2.7.1.0.7 VCF, dat luidt als volgt:
De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.
Het eerste lid is niet van toepassing :
1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;
2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.
- Artikel 2.7.1.0.9 VCF, dat luidt als volgt:
Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.
Het eerste lid is niet van toepassing als :
1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;
2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.
- Artikel 3.17.0.0.2 VCF (antimisbruikbepaling), dat luidt als volgt:
Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.
B. Beoordeling
1) Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF en artikel 3.17.0.0.2 VCF?
41. Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF treft schenkingen van roerende goederen die door de erflater zijn gedaan onder een opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt door het overlijden van de schenker. De ratio legis van deze bepaling is dat de schenker niet de facto de overdracht van de geschonken goederen mag uitstellen tot op het ogenblik van het overlijden.
42. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen die voldoende opwegen tegen de fiscale motieven. Herkwalificatie is mogelijk indien de belastingplichtige niet kan aantonen dat de geviseerde verrichting(en) ook niet-fiscale doelstellingen hebben, en dat deze niet-fiscale doelstellingen voldoende opwegen tegen de fiscale motieven.
De voorgenomen verrichting, namelijk de oprichting van de maatschap E door de echtgenoten X-Y, waarbij zij vermogensbestanddelen (meer bepaald aandelen van CommV D) in de maatschap inbrengen, in ruil waarvoor de maatschapsaandelen grotendeels aan hun 3 kinderen, niet-inbrengers, worden toegekend, hetgeen door aanvragers gekwalificeerd wordt als een onrechtstreekse schenking door de echtgenoten X-Y aan hun 3 kinderen, maakt fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
Uit de concrete omstandigheden van het dossier kan worden afgeleid dat de voorgenomen verrichting tot doel heeft de rechtstreekse toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF te ontwijken en dat hierbij gehandeld wordt in strijd met de doelstelling van dit artikel, en dat bijgevolg finaal de erfbelasting wordt ontweken, waarbij het ontwijken van de erfbelasting de enige/overwegende beweegreden is voor de keuze van de betrokken rechtshandeling.
Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF bevat een fictie in de erfbelasting voor schenkingen van roerende goederen onder een opschortende modaliteit van het overlijden van de schenker. De ratio legis van deze fictiebepaling is historisch als volgt te verklaren:
Bij het decreet van 19 december 2003 werden voor schenkingen van roerende goederen twee verlaagde vlakke tarieven ingevoerd; namelijk 3% voor schenkingen van roerende goederen in de rechte lijn en tussen partners en 7% voor andere schenkingen van roerende goederen. De ratio legis van de invoering van deze verlaagde vlakke tarieven was het aanbieden van een stimulans om roerend vermogen tijdens het leven over te dragen van een oudere, vaak meer vermogende generatie, aan de jongere generatie, die de geschonken goederen dan in het economisch circuit kon brengen.
De Memorie van Toelichting bij het decreet van 24 december 2004 - waarbij het fictie-artikel 4,3° Wb Succ., thans artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, wordt ingevoerd - stelt na het decreet van 19 december 2003 vast dat:
“Een belangrijk positief neveneffect van deze maatregel is het sneller activeren van roerende kapitalen, nog tijdens het leven van de schenker, wat een jongere generatie zal toelaten om sneller hun droom, bijvoorbeeld het opstarten van een eigen zaak, of het verwerven van een eigen woonhuis, met de financiële steun van ouders, grootouders of andere familieleden te realiseren.”
Vervolgens wordt in deze Memorie van Toelichting aangehaald dat in de praktijk schenkingen gedaan worden waarbij het vermogen de facto niet overgedragen wordt, maar dat deze overdracht wordt uitgesteld tot aan het overlijden van de schenker. Hierdoor wordt dit vermogen dus niet onmiddellijk in het economisch verkeer gebracht, met als gevolg dat de jongere generatie er niet over kan beschikken, en dit dus in tegenstelling met wat de bedoeling van de wetgever was.
Gezien deze schenkingen economisch gezien hetzelfde effect hebben als een legaat, zullen ze hier fiscaal mee gelijk gesteld worden.
Dit blijkt ook uit de tekst van de Memorie van Toelichting bij het decreet van 24 december 2004, waarin volgende passage werd opgenomen:
“Bij decreet van 9 december 2003 werd, voor wat het Vlaamse Gewest betreft, een bijzonder sterk verlaagd tarief ingevoerd voor het registratierecht op schenkingen onder de levenden van roerende goederen. De bedoeling van deze maatregel was een fiscale hinderpaal, die het doorgeven van roerende vermogens tussen generaties tijdens het leven van de overdrager bemoeilijkt, weg te nemen. Dankzij deze maatregel is het niet langer noodzakelijk zijn toevlucht te nemen tot minder rechtszekere oplossingen. De maatregel heeft trouwens zijn effect niet gemist. Van januari 2004 tot en met mei 2004 werden liefst 1.286 akten tegen dit nieuwe voordelige tarief geregistreerd. En uit de ontvangsten van de schenkingsrechten de afgelopen maanden blijkt duidelijk dat dit aantal de voorbije maanden nog sterk is opgelopen. De Vlamingen hebben dus duidelijk het belang van deze maatregel ingezien. Een belangrijk positief neveneffect van deze maatregel is het sneller activeren van roerende kapitalen, nog tijdens het leven van de schenker, wat een jongere generatie zal toelaten om sneller hun droom, bijvoorbeeld het opstarten van een eigen zaak, of het verwerven van een eigen woonhuis, met de financiële steun van ouders, grootouders of andere familieleden te realiseren. Het tarief van het registratierecht op schenkingen van roerende goederen bedraagt in het Vlaamse Gewest sedert 1 januari 2004 immers 3% voor schenkingen gedaan tussen personen die in rechte lijn met elkaar verwant zijn, en 7% voor schenkingen tussen alle andere personen. Het verschil met de tarieven van de successierechten voor verervingen tussen dezelfde personen is enorm. Dit kan betrokkenen ertoe aanzetten om nog tijdens het leven, op een fiscaal voordelige manier, de roerende goederen aan de toekomstige erfgenamen of legatarissen over te dragen. Er blijkt echter een gemakkelijke manier te bestaan om enerzijds het voordeel van het verlaagde Vlaamse tarief voor de schenkingen te genieten, maar toch de overdracht van de goederen uit te stellen tot op het ogenblik van het overlijden. Een schenking van roerende goederen onder de opschortende voorwaarde van het overlijden, geeft immers bij registratie van de akte slechts aanleiding tot de heffing van het algemeen vast recht van 25 euro, overeenkomstig de principes van artikel 16 van het wetboek der registratie-, hypotheek en griffierechten. Slechts op het ogenblik van het overlijden zal het evenredige recht, met toerekening van het reeds geheven algemeen vast recht, opeisbaar worden. En dat was eigenlijk niet de bedoeling die de decreetgever zich met de invoering van de bijzonder verlaagde tarieven had vooropgesteld. Een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden, heeft burgerrechtelijk quasi dezelfde gevolgen als een legaat. Fiscaalrechtelijk worden ze echter sedert 1 januari 2004 aan een sterk verschillend tarief onderworpen. De Vlaamse Regering vindt het dan ook volkomen logisch dat een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker, fiscaalrechtelijk gelijk wordt gesteld met een legaat. Zo voorkomt men een ongelijke behandeling ten opzichte van die erflater die een legaat van roerende goederen vermaakt, dat, per definitie, slechts uitwerking krijgt op het ogenblik van zijn overlijden.”
Het is in casu duidelijk dat door de voorgenomen verrichting de doelstelling van het artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF als fictiebepaling wordt gefrustreerd om hierna vermelde redenen.
Uit de voorgelegde feitenconstellatie blijkt immers duidelijk dat de echtgenoten X-Y de betrokken aandelen van CommV D fiscaal voordelig willen schenken aan de kinderen, doch mits een quasi-totaal en levenslang controlevoorbehoud in hun hoofde. Hierdoor kunnen de kinderen niet zelf beslissen om het door hen ontvangen vermogen te activeren of in het economisch circuit te investeren. De 'oudere generatie' blijft de facto de quasi-volledige beslissingsmacht behouden over dit vermogen. Dit is strijdig met de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.
43. De echtgenoten X-Y zullen aandelen van CommV D inbrengen in de nieuw op te richten maatschap E.
Meer bepaald zullen zij gezamenlijk 5 aandelen van CommV D, behorende tot hun gemeenschappelijk vermogen, inbrengen. Daarnaast zal de heer X ook 41 van de 42 aandelen van CommV D, behorende tot zijn eigen vermogen, inbrengen in de op te richten maatschap E.
Naar aanleiding van de oprichting van de maatschap zullen 1.000 aandelen op naam worden gecreëerd, waarvan 996 aandelen in onverdeeldheid aan de 3 kinderen A, B en C worden toegekend, 2 aandelen aan de echtgenoten X-Y (voor het gemeenschappelijk vermogen) worden toegekend en 2 aandelen aan de heer X (voor zijn eigen vermogen) worden toegekend.
Na oprichting van de maatschap E zullen de 3 kinderen, op eigen initiatief, ieder hun aandeel in CommV D bijkomend in de maatschap inbrengen, teneinde een gezamenlijk familiaal beheer van de aandelen mogelijk te maken. In ruil voor deze inbreng zullen zij telkens 1 bijkomend aandeel van de maatschap ontvangen.
Ingevolge deze voorgenomen verrichtingen zullen 49 van de 50 aandelen van CommV D tot het vermogen van de maatschap E behoren en zal het resterende 1 aandeel van CommV D tot het eigen vermogen van de heer X behoren.
44. De maatschap E wordt opgericht voor een bepaalde duur van 30 jaar. De heer X is thans 66 jaar en mevrouw Y is thans 55 jaar.
Wat het bestuur van de maatschap betreft, wordt de heer X in principe voor de duur van zijn leven aangesteld tot zaakvoerder (artikel 6.1 van de statuten). Voor het geval van overlijden, vrijwillig ontslag of beheersonbekwaamheden van de heer X als zaakvoerder zoals beschreven in artikel 6.2 van de statuten wordt mevrouw Y aangeduid als opvolgend zaakvoerder.
In artikel 6.15 van de statuten wordt bepaald dat de zaakvoerder/opvolgend zaakvoerder, enkel door middel van een statutenwijziging kan worden vervangen. Aangezien overeenkomstig artikel 5.7 van de statuten unanimiteit vereist is voor besluiten van de algemene vergadering, impliceert dit dat de heer X/mevrouw Y hiervoor over een vetorecht beschikken.
In de aanvraag stellen de aanvragers dat het zou gaan om een gelimiteerd zaakvoerdersschap (zie randnummer 15); terwijl uit het ontwerp van de maatschapsstatuten het tegendeel blijkt:
De zaakvoerder/opvolgend zaakvoerder is exclusief, en met uitsluiting van alle andere vennoten, bevoegd voor alle daden van beheer en alle daden van beschikking met betrekking tot het in de maatschap ingebrachte vermogen, die nodig of dienstig zijn voor de verwezenlijking van het voorwerp van de maatschap (meer bepaald het beheer en het beleggen van haar vermogen, waarbij ernaar gestreefd wordt dit vermogen door samenwerking in stand te houden en te vergroten). Dit laatste doet niets af aan het gegeven van de omvang van de controle door de ouders over dit vermogen.
Zo bepaalt artikel 6.11 van de statuten:
“De vennoten die niet werden benoemd als zaakvoerder c.q. opvolgend zaakvoerder kunnen, geen daden van beheer, noch daden van beschikking stellen met betrekking tot de goederen die tot het vermogen van de maatschap behoren.”
In casu wordt dus statutair vastgelegd dat de kinderen geen daden van beheer noch daden van beschikking kunnen stellen met betrekking tot de aandelen van CommV D die in de maatschap E worden ingebracht.
De zaakvoerder heeft alleen voor enkele zeer specifiek opgesomde handelingen een unanieme goedkeuring nodig van de algemene vergadering, zoals onder meer het hypothekeren of in pand geven van activa van de maatschap of het aangaan van enige verbintenis met een transactiewaarde gelijk aan of hoger dan € 1.000.000, tenzij deze beslissing betrekking heeft op recurrente aan- en verkopen binnen een beleggings- of effectenportefeuille (cf. artikel 6.8 van de statuten).
Alle andere daden van beheer en beschikking worden zonder enige inspraak van de kinderen door de ouder-zaakvoerder gesteld, zo onder meer (artikel 6.9 en 6.10 van de statuten):
- het vervreemden of wederbeleggen van vermogensbestanddelen die deel uitmaken van het vermogen van de maatschap, voor zover dit gebeurt tegen marktwaarde (en er geen goedkeuring van de algemene vergadering vereist is voor het vervreemden voor een lagere waarde dan de aanschaffings- of verkrijgingswaarde ervan);
- het uitoefenen van het stemrecht verbonden aan alle aandelen die deel uitmaken van het vermogen van de maatschap.
Alle beslissingen op de algemene vergadering dienen met eenparigheid der stemmen te worden genomen. Dit impliceert volgens aanvrager dat de ouders geen enkele beslissing alleen kunnen nemen (zie randnummer 15), maar dit impliceert eveneens dat er geen beslissing kan genomen worden zonder akkoord van de ouders (veto-recht).
In artikel 8 van de statuten wordt voorzien dat de netto-inkomsten van de maatschap op voorstel van de zaakvoerder/opvolgend zaakvoerder, geheel of gedeeltelijk kunnen worden uitgekeerd aan de vennoten, waarbij de netto-inkomsten bij voorrang worden aangewend voor de uitbetaling van een lijfrente aan één of meerdere vennoten, dewelke als last werd gekoppeld aan een (rechtstreekse of onrechtstreekse) schenking betreffende de aandelen van de maatschap (cf. artikel 2 van het pacte adjoint). In het pacte adjoint wordt inzake deze lijfrente voorzien dat deze mag worden uitbetaald uit het vermogen, de vruchten en/of de opbrengsten van Maatschap E en dat de kinderen volmacht geven aan de ouders om alle handelingen te stellen die nodig zijn om deze uitbetaling uit te voeren.
45. Door de vooropgestelde constructie zal het over te dragen vermogen van de ouders aan de kinderen de facto onbeschikbaar zijn voor deze kinderen tijdens het leven van hun ouders, terwijl het verzekeren van een werkelijke en beschikbare overdracht bij een schenking aan de jongere generatie, juist één van de doelstellingen van het nieuwe fictie-artikel was. Gelet op de concrete feitenconstellatie wordt geoordeeld dat de mate van controlevoorbehoud door de schenkers van die aard is, dat toepassing wordt gemaakt van art. 3.17.0.0.2 VCF wegens ontwijking van art. 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, dit in strijd met de doelstellingen van dit artikel zoals hiervoor uiteen gezet werd.
46. Wat de niet-fiscale motieven betreft die door aanvrager worden aangehaald in randnummer 35 van de aanvraag, kunnen deze niet op afdoende wijze de keuze voor de voorgenomen verrichting verantwoorden, buiten het ontwijken van erfbelasting.
Aanvrager haalt aan dat de oprichting van de maatschap en de inbrengen daarin zijn ingegeven door de wens van de ouders om het familiaal vermogen op een gestructureerde en efficiënte wijze te beheren en dit op transparante wijze over te dragen aan hun kinderen, met bijzondere aandacht voor het vermijden van versnippering van het vermogen en het verzekeren van een harmonieuze opvolging binnen de familie.
Als niet-fiscaal motief kan deze redenering niet als doorslaggevend aanvaard worden om de aandelen van CommV D in de maatschap E onder te brengen.
Er dient immers te worden vastgesteld dat de echtgenoten X-Y en hun 3 kinderen vandaag reeds gezamenlijk de totaliteit van de aandelen van CommV D aanhouden, nl. de heer X voor 42 aandelen, de echtgenoten X-Y voor 5 aandelen en de 3 kinderen ieder voor 1 aandeel. Daarbij kan gewezen worden op artikel 4:22 WVV dat bepaalt dat de commanditaire vennootschap een maatschap is, weliswaar waarvan de vennoten overeengekomen zijn dat deze rechtspersoonlijkheid zal genieten.
De wens van de ouders om het familiaal vermogen op een gestructureerde en efficiënte wijze te beheren en dit op transparante wijze over te dragen aan hun kinderen zou bijgevolg ook rechtstreeks bereikt kunnen worden binnen CommV D, zonder dat een inbreng in maatschap E hiervoor noodzakelijk is.
Het argument dat er bijzondere aandacht is voor het vermijden van versnippering van het vermogen kan ook niet overtuigen, aangezien er door de inbreng van de aandelen van CommV D in de maatschap E net meer versnippering is dan ervoor. De heer X behoudt immers 1 aandeel in CommV D, terwijl de overige 49 aandelen in CommV D toekomen aan de maatschap E. Gelet op de fiscale transparantie van de maatschap, worden de maten beschouwd als gezamenlijke eigenaars van de achterliggende effecten, namelijk de 3 kinderen voor 999 aandelen, de echtgenoten X-Y voor 2 aandelen en de heer X voor 2 aandelen in maatschap E.
Aanvragers halen in hun aanvraag geen verdere niet-fiscale motieven aan die op afdoende wijze de keuze voor de voorgenomen verrichtingen zouden verantwoorden buiten het ontwijken van de erfbelasting.
47. Bijgevolg zal bij overlijden van één van de ouders toepassing van artikel 3.17.0.0.2 VCF worden gemaakt wegens ontwijking van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF. Dit betekent dat de verrichting wordt gelijkgesteld met de verrichting beoogd in artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, waardoor deze als legaat wordt beschouwd.
2) Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF en artikel 3.17.0.0.2 VCF?
48. Voor zover door de voorgenomen verrichting inderdaad een geldige schenking door de ouders aan hun 3 kinderen tot stand gebracht wordt, zal deze schenking voor het aandeel van de kinderen in de maatschap, onder het toepassingsgebied van artikel 2.7.1.0.5 VCF vallen.
Indien één van de ouders zou overlijden binnen de termijn voorzien in artikel 2.7.1.0.5 VCF, wordt de begiftigde geacht het voorwerp van de schenking als legaat te hebben verkregen, tenzij het bewijsdocument voorafgaand aan het overlijden van de schenker ter registratie werd aangeboden.
Bij gebrek aan registratie van het bewijsdocument van een schenking, zal op het moment van overlijden dienen bewezen te worden dat buiten de termijn voorzien in artikel 2.7.1.0.5 VCF een schenking, bevattende alle constitutieve elementen van een schenking, heeft plaatsgevonden.
49. Aanvrager verwijst naar Standpunt nr. 20067 van 21 juni 2021 van de Vlaamse Belastingdienst om aan te geven dat de winstreservatie door de algemene vergadering van de maatschap niet valt onder de belastbaarheid van artikel 2.7.1.0.5 VCF. Aangezien het in casu niet om een gesplitste inschrijving gaat, is het SP 20067 niet van toepassing.
3) Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.6 VCF en artikel 3.17.0.0.2 VCF?
50. Een maatschap is fiscaal transparant. De Vlaamse Belastingdienst beoordeelt de overdracht van deelgerechtigdheden van een maatschap in het kader van de registratie- en erfbelasting als een overdracht van de respectievelijke goederen die in de maatschap werden ingebracht waarbij de aard van die goederen de belastbaarheid bepaalt.
Artikel 2.7.1.0.6 VCF treft bedingen ten behoeve van een derde.
Een beding ten behoeve van een derde is een beding in een contract waarbij een van de contractanten van de medecontractant bedingt dat deze laatste iets zal geven of iets zal doen in het voordeel van een derde, die vreemd is aan het contract en er niet in vertegenwoordigd is.
Gezien een maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft, en als dusdanig geen actief en passief rechtssubject is, kunnen de echtgenoten X-Y geen contract met de maatschap sluiten. Artikel 2.7.1.0.6 VCF is hierop niet van toepassing.
51. Dezelfde redenering is van toepassing op de latere uitkeringen via het doelvermogen dat de maatschap is.
De uitkeringen uit dit doelvermogen worden fiscaal aanzien als uitkeringen uit de achterliggende goederen, zodat artikel 2.7.1.0.6 VCF niet van toepassing is.
4) Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.7 VCF en artikel 3.17.0.0.2 VCF?
52. Artikel 2.7.1.0.7 VCF is hier niet aan de orde, aangezien het niet gaat om roerende of onroerende goederen die gesplitst worden aangekocht, noch om effecten of geldbeleggingen die gesplitst zijn ingeschreven, voor het vruchtgebruik op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.
53. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.7 VCF, noch rechtstreeks, noch op basis van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
5) Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.9 VCF en artikel 3.17.0.0.2 VCF?
54. Aan de kinderen wordt in het document “bevestiging van eerder uitgevoerde onrechtstreekse schenkingen - pacte adjoint” de last opgelegd tot betaling van een facultatieve jaarlijkse lijfrente aan de schenkers. Het bedrag zal jaarlijks door de schenkers zelf worden bepaald, met dien verstande dat het bedrag van de rente voor elk jaar nooit meer dan 5% zal mogen bedragen van de waarde van de geschonken goederen op datum van de schenking. De uitkering van de rente in haar geheel wordt beperkt tot 75% van de waarde van de geschonken goederen op datum van de schenking.
55. Deze last wordt in het document “bevestiging van eerder uitgevoerde onrechtstreekse schenkingen - pacte adjoint” geformuleerd als volgt:
“Artikel 2. Last van een facultatieve lijfrente
De schenking werd gedaan onder last voor de respectievelijke Begiftigden, die zich daartoe hoofdelijk en ondeelbaar verbinden, om een facultatieve jaarlijkse lijfrente aan de Schenkers te betalen.
Het bedrag van de lijfrente zal jaarlijks bepaald worden door de Schenkers zelf, met dien verstande dat het bedrag van de rente voor elk jaar – welke niet cumulatief is met de niet-opgevraagde rente in de voorgaande jaren – nooit meer dan 5% zal mogen bedragen van de waarde van de geschonken goederen op datum van de schenking.
De rente is betaalbaar op eerste aanvraag van de Schenkers die dit verzoek tot uitbetaling van de rente schriftelijk richten aan de betrokken Begiftigden uiterlijk binnen een termijn van twee weken na de jaarlijkse algemene vergadering van maatschap E. De rente kan op verzoek van de Schenkers uitbetaald worden op basis van maandelijkse voorschotten dewelke naderhand zullen worden verrekend. De rente mag worden uitbetaald uit het vermogen, de vruchten en/of de opbrengsten van Maatschap E. De Begiftigden geven aan de Schenkers hierbij volmacht om alle handelingen te stellen die nodig zijn om deze uitbetaling uit te voeren.
Het facultatief recht op voormelde rente vervalt automatisch (wegens niet vervullen van de opschortende voorwaarde van het tijdig opeisen van de rente) indien de Schenkers niet tijdig het verzoek tot betaling van de rente hebben gericht aan de Begiftigden. Het gebeurlijk niet of niet-tijdig opeisen van de rente zal in geen geval kunnen beschouwd worden als een schenking van de niet-opgevraagde rente door de Schenkers aan de Begiftigden.
De rente is niet meer verschuldigd vanaf de dag waarop de tegenwaarde van de betaalde rentes ten belope van 75% van de waarde van de geschonken goederen op de datum van de schenking zal opgevraagd zijn. De Begiftigden kunnen met andere woorden minimaal 75% van de waarde van de geschonken goederen behouden en zijn er niet toe gehouden de rente te betalen aan de hand van eigen middelen.
Indien één van de Schenkers overlijdt, wast het aandeel in de rente van de eerststervende aan bij het aandeel van de langstlevende Schenker, mits deze de voormelde aanwas aanvaardt en deze aanvaarding binnen een termijn van vier maanden na het overlijden van de eerststervende Schenker ter kennis van de Begiftigden brengt via aangetekend schrijven met ontvangstbewijs.”
56. Door de plafonnering van de geldelijke last op 75 % van de waarde van de schenking op het moment van de schenking, wordt beoogd dat de last niet zo hoog oploopt dat het in feite geen schenking meer is, waardoor er zich een herkwalificatie naar contract onder bezwarende titel zou opdringen.
Het besluitvormingsorgaan aanvaardt dat voor zover de schenking niet kan worden uitgeput door de plafonnering van de last, er geen herkwalificatie naar contract onder bezwarende titel zal gebeuren.
In dit geval zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.9 VCF, noch rechtstreeks, noch op basis van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
57. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.
Voetnoten
[1] Het ontwerp van de oprichtingsakte en statuten van de maatschap E werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.
[2] Voetnoot van de aanvrager: De techniek van de inbreng ten behoeve van een derde is een vennootschapsrechtelijk aanvaarde techniek die wordt bevestigd door het Hof van Cassatie (Cass. 7 februari 1975, Arr.Cass. 1975, 642).
[3] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: Op de vraag om te verduidelijken wat het aandeel van elk van de schenkers in de schenking aan de begiftigden juist is, heeft aanvrager bij emailbericht van 9 februari 2026 het volgende geantwoord:
“Zoals hoger opgemerkt zal worden ingebracht (en dus onrechtstreeks worden geschonken aan de kinderen):
- Door de heer X: 41 aandelen
- Door de huwgemeenschap X en Y: 5 aandelen
De maatschap geeft in ruil voor deze inbreng 1.000 aandelen uit, waarvan er 996 meteen worden toegekend aan de kinderen (in onverdeeldheid). Daarnaast zullen er 2 aandelen van de maatschap toegekend worden aan X en 2 aan de huwgemeenschap.”
[4] Het ontwerp van het document “bevestiging van eerder uitgevoerde onrechtstreekse schenkingen - pacte adjoint” werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.
[5] Voetnoot van de aanvrager: Cass. 21 november 2021, C.20.0546.N, RABG 2022, 221; BARBAIX, R., Het contractuele statuut van de schenking, Brussel, Intersentia, 2008, 273.
[6] Voetnoot van de aanvrager: Cass. 21 oktober 2021, NJW 2022, 595; CASMAN, H., VERBEKE, A., NIJBOER, N. en VERDICKT, B., “Nieuw leven voor alternatieve schenkingstechnieken?”, Nieuwsbrief Notariaat 2021, 4.
[7] Opmerking van het Besluitvormingsorgaan: Op de vraag om te verduidelijken wie respectievelijk de gecommanditeerde vennoten en de commanditaire vennoten zullen zijn in de commanditaire vennootschap D naar aanleiding van de realisatie van de voorgenomen verrichting, heeft aanvrager bij emailbericht van 9 februari 2026 volgend antwoord bezorgd:
“Uit het proces-verbaal van de buitengewone algemene vergadering van de CommV D dd. xx.xx.2024 (zie bijlage), blijkt dat op dit moment:
- De kinderen A, B en C commanditaire (stille) vennoten zijn en elk één aandeel aanhouden;
- De heer X gecommanditeerde (beherend) vennoot is, en eigenaar is van 42 aandelen (zowel de lidmaatschapsrechten als de vermogensrechten behoren tot zijn eigen vermogen);
- De huwelijksgemeenschap X–Y eigenaar is van 5 aandelen (vermogensrechten zijn gemeenschappelijk; lidmaatschapsrechten zijn eigen aan de heer X).
In totaal zijn er dus 50 aandelen van de CommV..
Na de voorgenomen verrichting die het voorwerp vormt van de rulingaanvraag, blijft de heer X gecommanditeerde vennoot (hij behoudt één aandeel van de 42 aandelen die tot zijn eigen vermogen behoren en zal dat ene aandeel niet inbrengen in de maatschap). De kinderen behouden ook elk de hoedanigheid van commanditaire vennoot (zij behouden ook elk hun één aandeel en brengen dit niet in de maatschap).
Door de inbreng van de resterende 46 aandelen in de maatschap (zijnde nog 41 aandelen uit het eigen vermogen van X en 5 aandelen uit de huwelijksgemeenschap), zal ook de maatschap vennoot van CommV. D worden. De maatschap zal tevens de hoedanigheid van commanditaire (stille) vennoot verkrijgen. Er zal daartoe in de statuten voorzien worden dat de aandelen van een gecommanditeerde vennoot die worden overgedragen van rechtswege worden ondergebracht in de categorie van aandelen die de overnemer de hoedanigheid van commanditaire vennoot verlenen, behoudens uitdrukkelijke afwijking in de overeenkomst van overdracht. Dat de maatschap de hoedanigheid van commanditaire (stille) vennoot verwerft, volgt tevens uit het feit dat enkel een gecommanditeerde (beherend) vennoot het beheer van de CommV mag uitoefenen en de vennootschap extern mag vertegenwoordigen, hetgeen niet het doel is van de maatschap. Zij kan aldus niet anders dan de hoedanigheid van commanditaire (stille) vennoot verwerven.
Besluitend kan dus gesteld worden dat de situatie er als volgt uitziet na de verrichting:
De heer X: gecommanditeerde (beherende) vennoot (1 aandeel)
De kinderen A, B en C : commanditaire (stille) vennoten (elk 1 aandeel, hetzij 3 aandelen in totaal)
De maatschap: commanditaire (stille) vennoot (46 aandelen).
In de bepalingen in de statuten van de CommV betreffende het stemrecht op de AV wordt reeds voorzien dat de beslissingen genomen worden met unanimiteit (gelijklopend met de maatschap). Dit houdt in dat ook de kinderen - in hun hoedanigheid van rechtstreekse stille vennoten van de CommV. - medebeslissingsrecht hebben over de goedkeuring van de jaarrekening van de CommV. , de bestemming van de winst van de CommV., statutenwijzigingen van de CommV. enz.”
[8] Voetnoot van de aanvrager: MvT, Parl.St. Vl.Parl. 2004-05, nr. 124/1, 11-12.
[9] Voetnoot van de aanvrager: Gent 1 december 2020, 2018/AR/1269.
[10] Voetnoot van de aanvrager: DE CUYPER, J., Successierechten, 2020, Mechelen, Wolters Kluwer, 290. COLIN en CAPITANT, Cours élémentaire de droit civil français, nr. 320, Rec.gén.enr.not., nrs. 18.416 en 21.179, § 6.
[11] Voetnoot van de aanvrager: Bedoeld wordt het aandeelhoudersregister van de maatschap.