Wanneer toepassen?

Dit is van toepassing op waar de isolatielagen niet rechtstreeks op elkaar (kunnen) aansluiten, maar waar de mogelijkheid bestaat om isolerende delen tussen te voegen.

Die isolerende delen nemen plaatselijk de thermisch isolerende functie van de isolatielagen op zich, waardoor de thermische snede kan behouden blijven, zoals bijvoorbeeld bij de aansluiting van een plat dak met een buitenmuur of een funderingsaanzet.

Definitie

Basisregel 2 stelt dat elk isolerende deel op zich moet voldoen aan elk van deze 3 eisen:

λ-waarde-eis

Het tussengevoegd isolerend deel moet een isolatiemateriaal zijn.

Hierdoor moet de warmtegeleidbaarheid λinsulating part van elk van de tussengevoegde isolerende delen kleiner dan of gelijk zijn aan 0,20 W/mK.

Deze warmtegeleidbaarheid is bepaald in overeenstemming met bijlage A van het .

R-waarde-eis

Opdat een tussengevoegd isolerend deel de thermische functie van een isolatielaag plaatselijk kan overnemen, moet de warmteweerstand R van het tussengevoegd isolerend deel voldoende groot zijn.

Zoals in basisregel 1 wordt de eis afhankelijk gemaakt van de eigenschappen van de omringende isolatielagen: hoe beter de isolatiekwaliteit van de isolatielagen (vastgelegd in de warmteweerstanden R1 en R2), hoe groter de warmteweerstand R van een isolerend deel moet zijn.

Bepaal de warmteweerstand van een isolerend deel steeds loodrecht op de thermische snedelijn. Voldoet de R-waarde-eis voor één thermische snedelijn doorheen het isolerende deel, dan voldoet ze voor alle parallelle thermische snedelijnen doorheen het isolerende deel.

Formule R-waarde-eis

De R-waarde-eis legt vast dat de warmteweerstand R van elk isolerend deel niet kleiner mag worden dan de helft van de kleinste waarde van R1 en R2.

Om de R-waarde-eis haalbaar te houden voor zeer dikke isolatiepakketten wordt er een bovengrens opgelegd aan R-waarde: 2,00 m²K/W.

Voorbeeld

Stel dat men te maken heeft met een isolatielaag 1 en 2 met volgende eigenschappen:

Laagdikte diWarmtegeleidbaarheid λiWarmteweerstand RiRi/2
Isolatielaag 10,22 m0,040 W/mK5,50 m²K/W2,75 m²K/W
Isolatielaag 20,20 m0,035 W/mK5,71 m²K/W2,86 m²K/W

Isolatielaag 1 heeft de kleinste R-waarde, maar R1/2 is nog steeds groter dan de bovengrens van 2 m²K/W. Het volstaat dus als de warmteweerstand R van elk tussengevoegd isolerend deel gelijk is aan 2 m²K/W.

Opgelet bij raam- en deuraansluitingen

Als een tussengevoegd isolerend deel voorkomt tussen raam- of deurprofiel en een isolatielaag van een scheidingsconstructie toetst u de R-waarde voor het tussengevoegd isolerend deel af aan:

  • de warmteweerstand van de isolatielaag van de opake scheidingsconstructie waarin het raam of deur in voorkomt
  • de verlaagde bovengrens (bij zeer dikke isolatiepakketten) van 1,50 m²K/W.

Bepalen van de warmteweerstand R van een tussengevoegd isolerend deel

De R-waarde [m²K/W] van een isolerend deel is gedefinieerd als

met:

  • dinsulating part de dikte [m] gemeten loodrecht op de thermische snedelijn
  • λinsulating part [W/mK] de warmtegeleidbaarheid van het isolerend deel

Voor het bepalen van dinsulating part maakt men onderscheid tussen rechthoekige en niet-rechthoekige isolerende delen:

  • bij rechthoekige isolerende delen (het meest voorkomende geval) moet de dikte dinsulating part gemeten worden loodrecht op de thermische snedelijn die er doorheen loopt. Heeft die snedelijn in het isolerende deel een verloop in 2 richtingen, dan gelden er 2 R-waarden voor eenzelfde isolerend deel. In dat geval moeten beide R-waarden voldoen aan de R-waarde-eis voor tussengevoegde isolerende delen.

Theoretische voorbeelden

  • Bij niet-rechthoekige isolerende delen wordt er niet gemeten ten opzichte van de thermische snedelijn, maar moet er enkel gekeken worden naar de kortste afstand tussen de koude en warme zijde van het isolerende deel. Deze kortste afstand vormt de zwakke plek van het isolerende deel en legt daardoor de minimumwaarde vast van de warmteweerstand R van het isolerende deel.

In een richting loodrecht op de thermische snedelijn mogen diktes en warmteweerstanden van verschillende isolerende delen opgeteld worden, als elk van de isolerende delen een λ-waarde kleiner dan of gelijk aan 0,20 W/mK heeft en indien er zich geen luchtlaag tussen bevindt.

Dit laat toe om de verschillende isolerende delen als een ‘homogeen’ isolerend deel te beschouwen, met een dikte d gelijk aan de som van de afzonderlijke diktes di en de warmteweerstand R gelijk aan de som van de afzonderlijke warmteweerstanden Ri.

Contactlengte-eis

De derde en laatste eis van basisregel 2 is nauw verbonden met basisregel 1.

De situatie waarin twee isolatielagen rechtstreeks op elkaar aansluiten, is immers zeer gelijkend op de situaties waarin een tussengevoegd isolerend deel rechtstreeks aansluit op een isolatielaag of op een ander tussengevoegd isolerend deel.

In de beide situaties spelen de diktes van de samenkomende delen of lagen een belangrijke rol.

  • Sluit een isolerend deel met dikte dinsulating part aan op een isolatielaag, dan is dx te beschouwen als de dikte van de isolatielaag en geldt de helft van het kleinste van de twee als ondergrens voor de onderlinge contactlengte.

  • Sluit een isolerend deel met dikte dinsulating part aan op een ander isolerend deel, dan is dx te beschouwen als de dikte van het andere isolerend deel en geldt wederom de helft van het kleinste van de twee als ondergrens voor de onderlinge contactlengte.

  • Sluit een isolerend deel aan op een raam- of deurprofiel zonder thermische onderbreking, dan is dx gelijk aan de dikte van het vaste kader van het raam- of deurprofiel, gemeten in een richting loodrecht op het glasoppervlak.

    Sluit een isolerend deel aan op raam- of deurprofiel met thermische onderbreking, dan geldt enkel dat het isolerende deel rechtstreeks in contact moet staan met de thermische onderbreking en dit over de volledige breedte van de thermische onderbreking.

Mechanische bevestigingen doorheen een tussengevoegd isolerend deel

Ter plaatse van een tussengevoegd isolerend deel zijn er soms mechanische bevestigingen nodig die de isolerende delen plaatselijk doorboren, zoals doken om vensters te verankeren, bevestigingspluggen, … Als de mechanische bevestigingen een λ-waarde > 0,20 W/mK hebben en als ze de koude en warme zijde van het isolerende deel met elkaar verbinden, mag de totale sectie van deze mechanische bevestigingen niet groter zijn dan 1 cm2 per lopende meter lineaire bouwknoop.

Is de totale sectie groter dan 1 cm2, dan kunt u met basisregel 2 nooit een EPB-aanvaarde bouwknoop bekomen.

Voorbeeld

Om de thermische snede ter plaatse van een betonnen kolom te garanderen, kan er een isolerend deel tegen bevestigd worden met behulp van bijvoorbeeld metalen bevestigingspluggen (rood). Er kan enkel aan basisregel 2 voldaan zijn als de totale oppervlaktesectie van de bevestigingspluggen niet meer bedraagt dan 1 cm2 per lopende meter bouwknoop.