Publicatiedatum: 13/02/2026
Het overgrote deel van de 46 onderzochte habitats van Europees belang in Vlaanderen verkeert in een (zeer) ongunstige staat van instandhouding. Slechts van twee is de toestand gunstig. Eén habitattype is gunstig en is verbeterd, namelijk ‘niet voor publiek opengestelde grotten’. Vier zeer ongunstig beoordeelde habitats vertonen dankzij herstel- en beheermaatregelen een positieve trend sinds 2013. De toestand van tien habitats gaat achteruit. Globaal gezien is in Vlaanderen nog geen substantiële verbetering van de toestand en trend van de habitats van Europees belang merkbaar.
Figuur 1: Staat van instandhouding (2019-2024) en trend (2013-2014) van de habitattypen van de Habitatrichtlijn
De indicator toont het aantal Europees te beschermen habitattypen in Vlaanderen met gunstige, matig of zeer ongunstige of onbekende staat van instandhouding voor de rapportageperiode 2019-2024 en hun trend over de laatste 12 jaar. De staat van instandhouding wordt bepaald op basis van de actuele toestand en trend van het areaal, de oppervlakte van de habitat, de kwaliteit en de toekomstverwachting.
De Europese Habitatrichtlijn heeft het behoud van de biodiversiteit tot doel door de bescherming van bepaalde habitats en wilde fauna en flora in Europa die zijn opgenomen in de bijlagen bij die richtlijn. Voor deze habitats en soorten moet gestreefd worden naar een gunstige ‘staat van instandhouding’. Elke zes jaar moeten de lidstaten aan de Europese Commissie rapporteren over de staat van instandhouding van de habitats en soorten van Europees belang die per biogeografische regio op hun grondgebied voorkomen. Deze indicator toont de globale resultaten van de habitats van Europees belang voor Vlaanderen.
Vanden Borre e.a. (2025) beoordeelden de staat van instandhouding en trend van de 46 Europees beschermde habitats in Vlaanderen voor de rapportageperiode 2019-2024. Dat zijn er twee meer dan bij de vorige rapportage zes jaar geleden (nl. twee bostypen die enkel, of overwegend, in Voeren voorkomen (9110 en 9150) en die in de vorige rapportage niet geëvalueerd werden). De staat van instandhouding van de habitattypen vloeit automatisch voort uit de beoordeling van de hoger vermelde vier door Europa vastgelegde criteria (areaal, oppervlakte, kwaliteit, toekomstverwachting).
Twee habitattypen zijn in een regionaal gunstige toestand. Eén daarvan is vooruitgegaan: de ‘niet voor publiek opengestelde grotten’ (8310, mergelgroeven), één heeft een stabiele trend: ‘duindoornstruwelen’ (2160). Twee habitattypen verkeren in een matig ongunstige toestand, maar zijn stabiel: ‘embryonale duinen’ (2110) en ‘vochtige duinvalleien’ (2190). Omdat de gunstige toestand van een habitat afhangt van een gunstige score op alle criteria verkeren de overige habitattypen nog steeds in een regionaal zeer ongunstige toestand, hoewel er bij vier verbetering merkbaar is. Bij tien habitats is de trend achteruitgaand. Dit is vooral te wijten aan de impact van aanhoudende (milieu)drukken, zoals stikstofdepositie, versnippering, waterverontreiniging, invasieve exoten, verdroging en klimaatwijziging. Daarbij komt nog dat veel habitats een lange ontwikkeltijd nodig hebben na het nemen van de nodige herstelmaatregelen, alvorens ze de gunstige staat bereiken. Voor zes habitattypen is de trend onbekend, voor ‘voedselrijke zoomvormende ruigten’ (6430) en ‘bij eb droogvallend zand en slik’ (1140) is ook de toestand onbekend.
De habitattypen in zeer ongunstige toestand, maar met verbeterende trend zijn: ’droge heide op landduinen’ (2310), ‘open grasland op landduinen’ (2330), ‘jeneverbesstruwelen’ (5130) en ‘oude eiken‐berkenbossen’ (9190). De verbetering is bij al deze habitattypen het gevolg van gerichte inspanningen: herstel van landduinen (2310 en 2330) via natuurherstelprojecten, oppervlakte-uitbreiding en adequaat beheer bij type 5130 en het decennialange omvormingsbeheer van naaldhout naar loofhout (9190).
Van de tien habitattypen die achteruitgaan, hadden de typen 2120, 3150 en 91E0 al een negatieve trend bij de vorige rapportage. Zes andere (1310, 1330, 2170, 3110, 3260, 9120) gaan achteruit vanwege een dalende trend in oppervlakte. Habitattypen die zes jaar geleden vooruitgingen zijn nu meestal stabiel (2130, 2190, 3160, 9130, 9160). Een deel van de toen onbekende totaaltrends is nu bekend, wat mee de schijnbaar sterke toename van zeer ongunstige habitattypen met stabiele of verslechterende trend verklaart.
Voor specifieke informatie per habitattype verwijzen we naar Vanden Borre e.a. (2025).
Publicatiedatum: 13/02/2026
De regionale staat van instandhouding van de habitattypen wordt bepaald door de actuele toestand en trend van het verspreidingsareaal (range), de habitatoppervlakte, de specifieke structuren en functies (of ‘habitatkwaliteit’) en de toekomstperspectieven. De beoordeling gebeurt voor elk Natura 2000-habitattype afzonderlijk, zonder opdeling in subtypen. De beoordeling van deze criteria en het eindoordeel over de toestand en trend dat daaruit voortvloeit, gebeurt via een door de Europese Commissie in 2005 vastgelegd beoordelingskader (DG Environment (2005)). De gehanteerde methodiek en de resultaten zijn beschreven in Vanden Borre e.a. (2025).
Het beoordelingskader ligt vast sinds 2005 en is hetzelfde voor de rapportages van 2007, 2013, 2019 en 2025. Hierdoor wordt een goed beeld van de globale evolutie van de toestand van de habitattypen bekomen. Verschillen tussen opeenvolgende rapportages kunnen evenwel ook voortvloeien uit een toegenomen kennis, meer nauwkeurige data, een andere wijze van inzameling en/of rapportering van gegevens, … Bij zeer dynamische habitattypen zijn ook natuurlijke fluctuaties in de tijd mogelijk. Als toenemend of afnemend gerapporteerde trends staan in elk geval steeds voor reële veranderingen op het terrein.
Broncode indicator: svi_habitats.Rmd
Broncode metadata: metadata_svi_habitats.Rmd
| Beschrijving | Gegevens | Metadata |
|---|---|---|
| Overzicht staat van instandhouding habitats | svigegevens.csv | svigegevens.yml |