Onderzoek naar connnectiviteit voor vleermuizen
Lucia Manzanares en Luc De Bruyn voeren samen met hun collega's onderzoek naar de connectiviteit van vleermuizen: hoe bewegen deze dieren zich door het landschap en wat belemmert hen in die beweging? Voor de Nacht van de Vleermuis gingen we met Manzanares en De Bruyn in gesprek over hun broodnodige onderzoek. Vleermuispopulaties zijn in de tweede helft van de voorbije eeuw namelijk sterk achteruitgegaan in West-Europa. “Daar is niet één oorzaak voor, maar een mix van oorzaken”, aldus Manzanares. “Een belangrijke oorzaak is de intensivering van de landbouw. Landbouwgebieden werden groter en kleinschalige landschapselementen, zoals houtkanten, hagen en bomenrijen, verdwenen. Daarnaast gingen ook bossen en andere natuurlijke habitats verloren of werden ze sterk gedegradeerd. Hierdoor beschikken vleermuizen over minder geschikte leefgebieden, jachtterreinen en vliegroutes.”
Ook het gebruik van pesticiden heeft een grote impact gehad. “Pesticiden kunnen dieren rechtstreeks vergiftigen, maar hebben ook een negatieve invloed op de voortplanting. Omdat voortplanting veel energie vraagt, kunnen aan vergif blootgestelde dieren minder succesvol jongen grootbrengen.”
Daarnaast treffen pesticiden ook de insectenpopulaties, die de belangrijkste voedselbron van vleermuizen vormen. “Zowel de hoeveelheid insecten als de soortensamenstelling is sterk veranderd. Doordat vleermuizen afhankelijk zijn van een gevarieerd aanbod aan insecten, leidt een afname van hun prooien tot voedseltekort en uiteindelijk tot kleinere populaties.”
“Ook de kanalisering van rivieren heeft bijgedragen aan de achteruitgang”, aldus De Bruyn. “Natuurlijke rivieroevers zijn op veel plaatsen verdwenen, waardoor het aantal insecten afneemt en belangrijke foerageergebieden verloren zijn gegaan.”
Ten slotte zijn ook veel verblijfplaatsen verdwenen. “Door renovaties, betere isolatie van gebouwen en veranderingen aan daken en zolders hebben vleermuizen steeds minder geschikte schuil-, foerageer- en voortplantingsplaatsen.”
(lees verder onder de foto)

Vleermuizen hebben nood aan kleine landschapselementen die met elkaar in verbinding staan, zoals hier in De Blankaart.
De gevolgen van een gebrekkige connectiviteit
Vleermuizen zijn afhankelijk van een netwerk van geschikte verblijfplaatsen en foerageergebieden, maar soms is dat netwerk niet langer voorhanden. Er zijn obstakels zoals open ruimtes of nachtverlichting, of de natuurlijke verbindingen met bomen en hagen als stapstenen ontbreken. “Wanneer die connectiviteit doorbroken wordt, moeten vleermuizen grotere afstanden afleggen om voedsel of een geschikte schuilplaats te bereiken. Een rechtstreekse afstand kan door het vermijden van een obstakel oplopen tot een omweg die een pak meer kilometers telt. En aangezien vliegen veel energie kost, vermindert dit de energie die beschikbaar is voor andere essentiële activiteiten, zoals voortplanting en het grootbrengen van jongen”, geeft Manzanares aan. “Bovendien zijn vleermuizen tijdens langere vluchten minder goed beschut, waardoor ze een groter risico lopen op predatie en andere gevaren.”
Een gebrek aan connectiviteit tussen leefgebieden heeft voor individuele vleermuizen belangrijke gevolgen, maar ook populaties lijden daaronder. “Door een gebrekkige connectiviteit wisselen geïsoleerde populaties minder individuen uit, waardoor de genetische diversiteit afneemt en de kans op inteelt toeneemt. Een verarmde genenpoel maakt populaties minder weerbaar tegen ziekten, veranderingen in het milieu en andere verstoringen. Als zich vervolgens een ongunstige gebeurtenis voordoet, kan een geïsoleerde populatie snel instorten”, aldus De Bruyn.
Heel wat soorten vleermuizen zijn bovendien sterk afhankelijk van hun vertrouwde landschap. Wanneer dat landschap verandert, worden ze bijzonder kwetsbaar. Als leefgebieden echter goed verbonden zijn, kunnen vleermuizen gemakkelijker uitwijken naar andere foerageergebieden of alternatieve verblijfplaatsen, waardoor hun overlevingskansen aanzienlijk toenemen.
(lees verder onder de foto)

Een Bechsteins vleermuis tijdens een nachtelijke foerageerronde. (Vildaphoto – Rollin Verlinde)
De ene soort is de andere niet
Sommige vleermuissoorten die in België voorkomen zijn sterk afhankelijk van kleine landschapselementen, zoals bomen, houtkanten en hagen, om zich veilig door het landschap te verplaatsen. “Vooral soorten met een korte echolocatiedetectieafstand ondervinden hiervan hinder. Hun echolocatie reikt slechts tot ongeveer 10 meter, waardoor ze minder informatie krijgen over hun omgeving. Ze vliegen daarom minder graag door open terrein, omdat ze predatoren, prooien of geschikte oriëntatiepunten niet tijdig kunnen waarnemen. Kleine landschapselementen kunnen voor deze soorten soelaas bieden: ze zorgen niet alleen voor beschutting tegen predatie, maar dienen ook als navigatiepunten en foerageerlocaties.”
Soorten met een grotere echolocatiedetectieafstand, die kan oplopen tot ongeveer 100 meter, zijn minder afhankelijk van dergelijke structuren en kunnen open ruimtes gemakkelijker overbruggen. De reikwijdte van de echolocatie heeft daardoor een belangrijke invloed op de mate waarin verschillende vleermuissoorten gevoelig zijn voor een verminderde landschappelijke connectiviteit.
(lees verder onder de foto)

Lucia gaat na waar de akoestische detectoren geplaatst kunnen worden tijdens haar onderzoek in De Blankaart.
Vleermuizen opvolgen met akoestische detectoren
Voor hun onderzoek naar connectiviteit monitorden Manzanares en De Bruyn vleermuizen in uiteenlopende landschapstypes verspreid over Vlaanderen. Zo vonden metingen plaats in stedelijke gebieden zoals Antwerpen, bosrijke regio's zoals de Merode, open landbouwlandschappen zoals Riemst, en gemengde landschappen rond onder meer Mechelen en Diest. Door deze grote variatie aan landschapstypes konden de onderzoekers het landschapsgebruik van vleermuizen in verschillende omgevingen vergelijken.
De dataverzameling gebeurde met automatische akoestische detectoren. Er bestaan verschillende technieken om vleermuizen te volgen, maar elke techniek heeft voor- en nadelen. “Voor grotere soorten kunnen we gebruikmaken van gps-zenders, die zeer gedetailleerde informatie opleveren over vliegroutes en ruimtegebruik. Voor de meeste vleermuissoorten is die techniek echter niet geschikt, omdat de dieren te klein zijn. Een gps-zender van ongeveer één gram vormt al een te zware belasting voor een vleermuis van slechts vijf gram”, aldus De Bruyn.
“Momenteel vormen akoestische detectoren de beste methode om vleermuizen op grotere schaal te monitoren”, geeft Manzanares aan. “Deze detectoren kunnen gedurende de hele nacht op meerdere locaties tegelijk registreren, zonder de dieren te verstoren, en leveren grote hoeveelheden gestandaardiseerde gegevens op.”
De akoestische detectoren die de onderzoekers plaatsten zijn uitgerust met een ultrasone microfoon die wordt geactiveerd zodra een geluid boven de ingestelde drempelwaarde van 8 kHz wordt waargenomen. Wanneer een passerende vleermuis echolocatiegeluiden produceert, start de detector automatisch een opname. De toestellen registreren de volledige nacht, van één uur vóór zonsondergang tot één uur na zonsopgang.
“In elk landschapstype werden willekeurig twintig meetpunten geselecteerd waar we een detector plaatsten. De detectoren bleven telkens minimaal drie nachten op dezelfde locatie en de metingen werden uitgevoerd tijdens de zomer en de herfst, de periode waarin vleermuizen het meest actief zijn.”
(lees verder onder de foto)

Lucia plaatst een akoestische detector in De Blankaart.
Een massa data om te verwerken
De dataverzameling leverde duizenden geluidsopnames op. Die werden eerst automatisch gescreend om vleermuisgeluiden te onderscheiden van andere ultrasone geluiden, zoals die van insecten of vogels. Vervolgens werden de vleermuisopnames geïdentificeerd met de software SonoChiro, die de echolocatiegeluiden toewijst aan een soort.
Om de betrouwbaarheid van deze automatische determinatie te beoordelen, controleerden Manzanares en De Bruyn handmatig bijna 100.000 geluidsopnames. Daaruit bleek dat SonoChiro voor sommige soorten een nauwkeurigheid van ongeveer 95% behaalt, maar voor enkele ecologisch belangrijke soorten die sterk afhankelijk zijn van het landschap, blijft de foutenmarge echter groter. De software kan deze soorten zowel foutief herkennen (vals-positief) als missen (vals-negatief). Daarom worden de resultaten voor deze soorten nog steeds handmatig gecontroleerd. “Dat is tijdrovend, maar het komt de kwaliteit van de analyses zeker ten goede”, geeft Manzanares aan.
Connectiviteitskaarten voor beheerders en beleidsmakers
Het onderzoek heeft als doel in kaart te brengen hoe vleermuizen het landschap gebruiken en hoe goed hun leefgebieden met elkaar verbonden zijn. Op basis van de verzamelde gegevens werden connectiviteitskaarten ontwikkeld die tonen waar vleermuizen zich vlot kunnen verplaatsen en waar knelpunten voorkomen.
“Zo maken de kaarten van de fortengordel rond Antwerpen – waarbij de forten belangrijke overwinteringsplaatsen zijn voor vleermuizen - bijvoorbeeld duidelijk welke verbindingen goed functioneren en waar barrières de verplaatsingen van vleermuizen bemoeilijken. De kaarten tonen bijvoorbeeld waar open ruimtes, ontbrekende bomenrijen of hagen de connectiviteit verstoren en waar kunstlicht een belangrijke hindernis vormt. Tegelijk geven de kaarten aan waar gerichte ingrepen, zoals het dimmen van licht of het aanplanten van bomen of hagen, de verbinding tussen leefgebieden kunnen herstellen”, aldus De Bruyn.
Voor terreinbeheerders en beleidsmakers zijn deze kaarten dan ook een waardevol hulpmiddel. Ze maken zichtbaar welke vliegroutes vleermuizen gebruiken, waar afstanden tussen geschikte leefgebieden te groot worden en waar natuurherstel de grootste winst kan opleveren.
Ook in het licht van de klimaatverandering neemt het belang van deze kaarten toe. “Naarmate temperaturen stijgen en leefgebieden veranderen, zullen vleermuizen hun verplaatsingspatronen aanpassen en op zoek gaan naar koelere of geschiktere gebieden. Connectiviteitskaarten kunnen helpen voorspellen of die uitwijkmogelijkheden voldoende bereikbaar zijn en waar extra verbindingen nodig zijn om vleermuispopulaties ook in de toekomst veerkrachtig te houden”, aldus Manzanares.
(lees verder onder de beelden)


Links: Fort 5 in Edegem. Het beeld rechts geeft aan hoe goed of slecht de connectiviteit voor vleermuizen hier is. Blauw-zwart is niet tot zeer weinig geschikt voor vleermuizen. Groen duidt op een goede connectiviteit, geel geeft aan waar bottlenecks zitten.
Minder licht, meer bomen
Volgens Manzanares en De Bruyn zijn er verschillende maatregelen die de connectiviteit voor vleermuizen kunnen verbeteren, maar de meest doeltreffende zijn vaak ook de eenvoudigste.
“Een eerste prioriteit is het beperken van lichtvervuiling. Hoewel niet alle vleermuissoorten even gevoelig zijn voor kunstlicht, ondervinden vooral soorten uit het Myotis-geslacht er grote hinder van. Kunstlicht kan belangrijke vliegroutes onderbreken en leefgebieden van elkaar isoleren. De eenvoudigste en goedkoopste oplossing is daarom om verlichting vanaf een bepaald uur uit te schakelen, en bij voorkeur gedurende de hele nacht. Waar dat om veiligheidsredenen niet mogelijk is, kan verlichting worden gekoppeld aan bewegingssensoren, zodat de lichten alleen branden wanneer mensen passeren”, aldus De Bruyn.
Een tweede belangrijke maatregel is het versterken van de landschapsstructuur door bomen en hagen aan te planten op plaatsen waar die ontbreken. Manzanares: “Vleermuizen geven de voorkeur aan een gevarieerd landschap met voldoende structuur, omdat dit beschutting biedt en de oriëntatie tijdens het vliegen vergemakkelijkt. Bovendien vormen bomen en hagen waardevolle foerageer- en schuilplaatsen. Zulke ingrepen komen niet alleen vleermuizen ten goede, maar dragen ook bij aan klimaatadaptatie door water vast te houden, schaduw te creëren en hittestress te verminderen.”
Vleermuizen worden daarom beschouwd als paraplusoorten: maatregelen die hun leefgebied verbeteren, hebben doorgaans ook een positief effect op tal van andere dier- en plantensoorten.
(lees verder onder de foto)

Watervleermuis – Vildaphoto (Rollin Verlinde)
Toekomstmuziek
De onderzoeksmethoden die momenteel worden gebruikt om de landschappelijke connectiviteit van vleermuizen in kaart te brengen bieden bovendien perspectief voor andere soorten. “Met enkele aanpassingen kunnen dezelfde technieken ook worden ingezet om de connectiviteit van leefgebieden voor andere diersoorten te onderzoeken”, besluit De Bruyn.
Wie meer informatie wil over de methodologie en de resultaten van het onderzoek kan terecht bij Lucia Manzanares of Luc De Bruyn.
Dit onderzoek wordt gesteund door het INTERREG-project TransAgroBat. Dankzij deze steun wordt onderzoek gedaan naar hoe het landbouwlandschap verbeterd kan worden. De landbouwers geven meer kansen aan de vleermuizen en in ruil leveren de dieren de landbouwers een dienst door pestsoorten van gewassen te lijf te gaan.
>> Meer informatie over TransAgroBat is te vinden bij Interreg en op onze site.
>>Vleermuizen ondervinden hinder van lichtvervuiling. Lees ook ons advies omtrent vleermuisvriendelijke verlichting langs wegen en fietsostrades.
