Publicatiedatum: 16/06/2026
Zowel het aantal Zuid-Europese libellensoorten als het aantal vindplaatsen van elk van deze zuidelijke soorten nam significant toe sinds 1984.
Figuur 1: evolutie van het aantal hokken met zuidelijke libellen
(excl. witpuntoeverlibel)
De lijn toont de gemodelleerde trend,
de transparante zone geeft het 90% betrouwbaarheidsinterval weer.
Deze indicator toont de trend van het aantal vindplaatsen van zuidelijke libellensoorten en het aantal regelmatig waargenomen soorten in Vlaanderen sinds 1984. De Witpuntoeverlibel, slechts 4x in één hok waargenomen in Vlaanderen, wordt buiten beschouwing gehouden.
Er is overweldigend bewijs dat klimaatverandering een impact heeft op de biodiversiteit. Dit uit zich zowel in temporele veranderingen, bijvoorbeeld fenologie (vroeger uitsluipen en verandering in vliegperiode…), als in ruimtelijke verschuivingen.
Zo breiden verschillende zuidelijke libellensoorten zich uit naar het noorden en hebben zich hier goed gevestigd. Populaties van deze soorten waren tot 1980 onbekend in Noordwest-Europa. Deze indicator geeft zowel de evolutie weer van het aantal vindplaatsen (uitgedrukt in kilometerhokken) van deze zuidelijke libellensoorten in Vlaanderen als van het totaal aantal waargenomen zuidelijke libellensoorten.
Uit de figuren blijkt dat zowel het aantal vindplaatsen (Figuur 1) als het aantal soorten toenam sinds 1984 (Figuur 2). Een eerste toename van het aantal soorten dateert van 1994, gevolgd door een sterke stijging vanaf 2006 en een steile piek de laatste jaren. Ondanks jaarlijkse schommelingen, meestal te wijten aan ongunstige weersomstandigheden tijdens de vliegtijd, is deze trend duidelijk en significant. Het totaal aantal soorten zit nu aan het plafond. Ook de witpuntoeverlibel werd in 2025 terug waargenomen.
Hoewel in 2024 voor meerdere soorten het hoogste aantal kilometerhokken werd genoteerd, lagen de aantallen voor 2025 heel wat lager. De negen zuiderse soorten zijn weinig kieskeurig wat habitatvereisten betreft en komen in bijna elk type stilstaand water voor, vaak met inbegrip van plassen die gedeeltelijk droogvallen. Het zeer droge voorjaar gecombineerd met vrij hoge temperaturen leidde tot het versneld droogvallen van heel wat plassen, wat wellicht resulteerde in een niet succesvolle larvale ontwikkeling. Enkel de zuidelijke keizerlibel werd sedert het begin van deze metingen in het hoogste aantal kilometerhokken waargenomen, niet toevallig een soort die vaak voorkomt op grotere wateren, die sowieso minder kans hebben op droogvallen.
Figuur 2: overzicht van de waargenomen Zuid-Europese libellensoorten van 1984 tot en met 2025
Publicatiedatum: 16/06/2026
De statistische analyse maakt gebruikt van R versie 4.6.0 (R Core Team 2025) en het INLA package (Rue e.a. 2017).
We definiëren het aantal zuidelijke soorten als het aantal verschillende zuidelijke soorten dat in minstens één 1x1 km UTM hok waargenomen werd in een bepaald jaar.
We veronderstellen dat het aantal zuidelijke soorten \(y_j\) in jaar \(j\) een Poisson verdeling met gemiddelde \(\mu_j\) volgt.
\[y_j \sim \mathcal{P}(\mu_j)\]
Het gemiddelde \(\mu_j\) is via een \(\log\) link gekoppeld aan een lineaire predictor \(\eta_j\).
\[\log(\mu_j) = \eta_j\]
Deze lineaire predictor \(\eta_j\) hangt enerzijds af van een globaal gemiddeld \(\beta_0\) en het effect \(b_j\) van jaar \(j\).
\[\eta_j = \beta_0 + b_j\]
Het effect van jaar \(j\) modelleren we als een eerste orde toevalsbeweging (first order random walk) met gemiddelde 0 en variantie \(\sigma^2_J\).
\[b_j - b_{j-1} = \Delta_{b_{j, j-1}}\sim \mathcal{N}(0, \sigma^2_J)\]
De punten in de trendfiguur geven het waargenomen aantal soorten weer. De lijn geeft de schatting voor het verwachte aantal soorten \(\mu_j\) weer. De transparante zone rond de lijn geeft het 90% betrouwbaarheidsinterval (confidence interval) rond de schatting van \(\mu_j\).
Voor deze analyse maken we gebruik van het aantal hokken per jaar waarin een zuidelijke soort werd waargenomen. We schreven een model waarbij we de gegevens van soorten gebruiken die gedurende minstens vier verschillende jaren werden waargenomen. Witpuntoeverlibel, in vier jaren in één hok waargenomen, wordt buiten beschouwing gehouden.
We veronderstellen dat het aantal hokken met waarnemingen \(y_{js}\) voor soort \(s\) in jaar \(j\) een Poisson verdeling met gemiddelde \(\mu_{js}\) volgt.
\[y_{js} \sim \mathcal{P}(\mu_{js})\]
Het gemiddelde \(\mu_{js}\) is via een \(\log\) link gekoppeld aan een lineaire predictor \(\eta_{js}\).
\[\log(\mu_{js}) = \eta_{js}\]
Deze lineaire predictor \(\eta_{js}\) hangt af van vier termen:
\[\eta_{js} = \beta_0 + b_j + b_s + b_{js}\]
\[(b_{j+1} - b_j) - (b_j - b_{j-1}) = \Delta^2_{b_j} \sim \mathcal{N}(0, \sigma^2_J)\] \[b_s \sim \mathcal{N}(0, \sigma^2_S)\] \[b_{js} - b_{(j-1)s} = \Delta_{b_{js, (j-1)s}} \sim \mathcal{N}(0, \sigma^2_{JS})\] De punten in de trendfiguur geeft het aantal hokken met waarnemingen per soort.
Broncode indicator: soorten.Rmd
Broncode metadata: metadata_libellen.Rmd
| Beschrijving | Gegevens | Metadata |
|---|---|---|
| aantal_hokken | aantal_hokken.csv | aantal_hokken.yml |