Terug naar overzicht

Tuinvlindertellingen in Vlaanderen. 2007-2019

Naast het jaarlijkse tuinvlindertelweekend, organiseert Natuurpunt sinds 2007 ook maandelijkse tellingen van dagvlinders in tuinen. In dit rapport analyseren we deze citizen science gegevens uit de periode 2007-2019. Aan vrijwilligers werd gevraagd om per maand het maximum aantal individuen per soort in hun tuin te noteren. Daarnaast werd elke tuin beschreven op basis van vlindervriendelijke kenmerken zoals nectaraanbod of de aanwezigheid van wilde hoekjes. We betrokken ook de omgeving van de tuin bij de analyse en keken naar de natuurlijkheid en de verstedelijkingsgraad van het omliggende landschap. In totaal werden 1878 tuinen geteld met in de beginjaren zo’n 500 tuinen per jaar. Tijdens de laatste jaren was dat aantal gezakt tot een 100-tal tuinen. De focus lag hierbij op 20 (vrij) algemene en vrij gemakkelijk herkenbare soorten die vaak in tuinen kunnen worden waargenomen (18 dagvlinders en 2 nachtvlinders). In totaal noteerden de tellers in de periode 2007-2019 104 verschillende vlindersoorten (282.008 individuen) in de tuinen: 51 soorten dagvlinders (255.950 individuen) en 53 soorten nachtvlinders (26.058 individuen). Hier analyseren we enkel de 20 soorten, die tijdens de tuinvlindertelweekends het vaakst gezien worden. De talrijkst getelde tuinsoorten waren Klein koolwitje (37.821 individuen), Dagpauwoog (30.969) en Atalanta (30.237). Het gemiddeld aantal soorten per tuin varieert sterk tussen jaren met zo’n 9 soorten in 2008 en bijna 12 soorten in 2013. Het gemiddeld aantal individuen per tuin varieert eveneens sterk tussen jaren met zo’n 30 individuen in 2008 en meer dan 50 individuen in 2009, 2010 en 2013. De grote pieken in het gemiddeld aantal individuen worden vooral veroorzaakt door invasies van trekvlinders zoals Distelvlinder (2009) en Gamma-uil (2010 en 2013).
Wat zijn de ingrediënten voor een vlinderrijke tuin? De tuinen met het grootste aantal soorten en individuen zijn groot, hebben vlinderstruik(en) en/of bloemperken, hebben tegelijk meerdere vlindervriendelijke kenmerken, liggen op het platteland, in landbouwgebied, in een natuurlijke of landelijke omgeving en/of in dorpen. Het aantal soorten en individuen dat in de tuinen wordt gemeld, wordt vooral bepaald door verschillen tussen jaren (en dus door het weer), de tuingrootte en de verstedelijkingsgraad en in mindere mate door het aantal vlindervriendelijke elementen (de tuinvariatie) of de aard van het omliggende landschap. Toch blijkt dat ook in kleine tuinen en/of in tuinen in een verstedelijkte of weinig-natuurlijke omgeving, het aantal waargenomen soorten en individuen toeneemt met een toenemend aantal vlindervriendelijke elementen in de tuin. Voor de 20 voldoende talrijke soorten bespreken we de invloed van de tuinkenmerken en -variatie op het aantal individuen dat in de verschillende typen tuinen en landschappen werd waargenomen. We bespreken ook de invloed van het omliggende landschap en van de interactie tussen tuin- en omgevingskenmerken op de waargenomen aantallen.
We gaan ten slotte kort in op de uitdaging waar Vlaanderen voor staat om de ecologische basiskwaliteit in stedelijk en bebouwd gebied en in landbouwgebied op te krikken. Om te eindigen geven we enkele tips hoe tuineigenaars, bij voorkeur over de grenzen van individuele tuinen heen, een verschil kunnen maken door het vlindervriendelijk inrichten van tuinen.

Details

Aantal pagina's 197
Type Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
Categorie Onderzoek
Taal Nederlands
Bibtex

@book{43b067d6-0f86-48bd-ac82-6bcf82b295ad, title = "Tuinvlindertellingen in Vlaanderen", author = "Dirk Maes and Wouter Van Reeth and Carine Wils and Wouter Vanreusel and Marc Herremans and Hans Van Dyck", year = "2020", doi = "https://doi.org/10.21436/inbor.29320668", language = "Nederlands", series = "", publisher = "", number = "", address = "België", }

Auteurs

Dirk Maes
Wouter Van Reeth
Carine Wils
Wouter Vanreusel
Marc Herremans
Hans Van Dyck