Publicatiedatum: 17/02/2026
De graslandvlinderindex vertoont in Vlaanderen een afname van 60% in de periode 1991-2025.
Figuur 1: trend van de graslandsoorten op de Vlaamse vlinderroutes in de periode 1991-2025. De punten geven de berekende jaarindex weer en de volle lijn is de gemodelleerde trend (Brondata: INBO).
De graslandvlinderindex wordt berekend aan de hand van negen graslandvlinders: bruin zandoogje, groot dikkopje, hooibeestje, icarusblauwtje, kleine vuurvlinder, koevinkje, oranjetipje, oranje zandoogje en zwartsprietdikkopje (Maes, Vanreusel, en Van Dyck 2013).
De graslandvlinderindex vertoont in Vlaanderen een afname van 60% in de periode 1991-2025 (Figuur 1). De achteruitgang van de graslandvlinders is vermoedelijk te wijten aan de hoge stikstofdepositie (De Keersmaeker e.a. 2018) en/of extreme weersomstandigheden die steeds vaker voorkomen de laatste jaren (bv. lange droogte, natte voorjaren). Een gebrek aan nectarbronnen door een te intensief beheer om schrale graslanden te verschralen, kan een bijkomende verklaring voor deze achteruitgang zijn (Wallis de Vries, van Swaay, en Plate 2012; Maes e.a. 2017).
De Europese graslandvlinderindex (een maat voor de kwaliteit van de graslanden in Europa), die wordt berekend aan de hand van 17 graslandvlinders, toont een achteruitgang van 47% (van Swaay e.a. 2025).
Publicatiedatum: 17/02/2026
De trend van dagvlinders in Vlaanderen wordt berekend met behulp van het R-package rbms (Dennis e.a. 2016; Schmucki e.a. 2015) waarmee per soort en per vlinderroute een jaarindex wordt berekend. Deze index is een maat voor de relatieve abundantie van elke soort op de verschillende vlinderroutes dat jaar. Per jaar kunnen de soortindexen vervolgens worden samengevoegd tot een algemene (gemiddelde) vlinderindex voor heel Vlaanderen (Dennis e.a. 2016; Schmucki, Harrower, en Dennis 2024). Het is deze Vlaamse jaarindex die per soort op de figuren wordt weergegeven. Voor een meer gedetailleerde uitleg en het gebruik van het R-package rbms verwijzen we naar gedetailleerde uitleg. Voor negen typische graslandvlinders waren er voldoende gegevens om een graslandvlinderindex mee te berekenen (bruin zandoogje, groot dikkopje, hooibeestje, icarusblauwtje, kleine vuurvlinder, koevinkje, oranjetipje, oranje zandoogje en zwartsprietdikkopje). Door de indexen van deze soorten te middelen (Dennis e.a. 2016) bekomen we een graslandvlinderindex. Alle analyses werden gedaan in R 4.5.1 (R Core Team (2025)). De analyse gebeurt in verschillende stappen waarin verschillende parameters ingesteld kunnen worden: • per jaar wordt nagegaan hoeveel tellingen er per vlinderroute gedaan werden (met drie tellingen als minimum om gebruikt te worden voor verdere analyse); • vervolgens wordt berekend op hoeveel vlinderroutes een soort in een bepaald jaar gezien werd en tijdens hoeveel tellingen elke soort gezien werd op de verschillende vlinderroutes; • voor alle soorten waarvan minstens een waarneming gedaan werd op minstens een vlinderroute per jaar wordt een jaarindex berekend (Dennis e.a. 2016; Schmucki e.a. 2015).
Afhankelijk van het aantal tellingen per vlinderroutes kan het aantal routes en soorten waarop de index berekend wordt, jaarlijks verschillen.
Broncode indicator: graslandvlinderindex.Rmd
Broncode metadata: metadata_graslandvlinderindex.Rmd
| Beschrijving | Gegevens | Metadata |
|---|---|---|
| Gemodelleerde data voor de periode 1991-2025 | graslandvlinderindex.csv | graslandvlinderindex.yml |